StuCom0020

Johannes Paulus II

Apostolische Brief

Novo millennio ineunte

aan de bisschoppen, de geestelijkheid en de gelovige leken

bij de sluiting van het grote Jubileum van het jaar 2000

 

Aan mijn broeders in het episcopaat, aan de priesters en diakens, de mannelijke en vrouwelijke religieuzen en alle gelovige leken

1. Bij de aanvang van het nieuwe millennium en de sluiting van het grote Jubileum waarin wij de tweeduizend jaar hebben gevierd die sinds de geboorte van Jezus zijn verstreken, en er een nieuwe fase in het leven van de Kerk begint, klinken in ons hart de woorden na waarmee Jezus, na vanuit Petrus’ scheepje de menigte te hebben toegesproken, de apostel vroeg "het meer op te varen naar diep water" om daar de netten uit te werpen: "Duc in altum" (Lc 5,4). Petrus en zijn eerste gezellen vertrouwden op Christus’ woord en wierpen de netten uit. "Dat deden ze en ze vingen zo’n massa vis dat hun netten ervan scheurden" (Lc 5,6).

Duc in altum! Deze woorden klinken thans tot ons, en nodigen ons uit dankbaar aan het verleden te denken, het heden geestdriftig te beleven, en vertrouwvol de toekomst tegemoet te zien. "Jezus Christus is dezelfde, gisteren, vandaag en tot in eeuwigheid" (Heb 13,8).

Groot was dit jaar de vreugde van de Kerk die met grote toewijding het gelaat beschouwde van haar Bruidegom en Heer. Meer dan ooit werd zij een pelgrimerend volk, geleid door de "grote herder van de schapen" (Heb 13,20). Met de buitengewone dynamiek die zovelen van haar leden bezielde, trok het volk van God, hier in Rome zowel als in Jeruzalem en in al de plaatselijke kerken, door de ‘Heilige Deur’ die Christus is. Tot Hem die doel van de geschiedenis en enige Heiland van de wereld is riepen Kerk en Geest: "Marana tha - Kom, Heer Jezus" (vgl. Apk 22,17.20; 1Kor 16,22).

De betekenis van dit genadevol gebeuren, dat in de loop van het jaar de harten van de mensen heeft geraakt, valt niet te schatten. Maar zeer zeker is over de Kerk een "rivier van water dat leven geeft" uitgestort, het water dat voortdurend ontspringt "aan de troon van God en van het Lam" (vgl. Apk 22,1). Dit is het water van de Geest dat de dorst lest en nieuw leven schenkt (vgl. Joh 4,14). Dit is de barmhartige liefde van de Vader die ons opnieuw in Christus wordt geopenbaard en geschonken. Aan het eind van dit jaar herhalen wij met nieuwe jubel het oude danklied: "Dank de Heer, want Hij is goed, zijn liefde kent geen grenzen" (Ps 118,1).

2. Om al deze redenen voel ik mij gedrongen u te schrijven, mijne dierbaren, om samen met u dit loflied aan te heffen. Vanaf het begin van mijn pontificaat gingen mijn gedachten uit naar dit Heilig Jaar 2000 als een belangrijk keerpunt. Ik zag de viering ervan als een door de Voorzienigheid beschikte gelegenheid waarbij de Kerk, 35 jaar na het Tweede Vaticaans Concilie, zou nagaan in hoeverre zij zich had vernieuwd, opdat ze met nieuw elan haar opdracht tot verkondiging van het evangelie op zich zou kunnen nemen.

Heeft het Jubileum aan deze doelstelling beantwoord? Het is aan God om onze inzet met zijn edelmoedig streven en onvermijdelijke tekortkomingen te beoordelen. Maar we kunnen ons niet onttrekken aan de plicht dank te zeggen voor de ‘wondere daden’ die de Heer voor ons heeft verricht: "Misericordias Domini in aeternum cantabo" (Ps 89,2).

Tegelijk dient hetgeen we hebben zien gebeuren opnieuw overdacht en als het ware ‘ontcijferd’ te worden, opdat we luisteren naar hetgeen de Geest tot de Kerk heeft gezegd (vgl. Apk 2,7.11.17, enzovoorts) in de loop van dit zo rijke jaar.

3. Dierbare broeders en zusters, in het bijzonder moeten wij onze gedachten richten op de voor ons liggende toekomst. Gedurende deze maanden hebben we vaak uitgezien naar het nieuwe millennium dat aanbreekt; zo beleefden we dit Jubileum niet alleen als een gedachtenis van het verleden maar ook als een vooruitschouwen op de toekomst. Nu moeten we van de ontvangen genade profiteren door haar om te zetten in vaste voornemens en praktische gedragsregels. Tot deze opdracht wil ik alle plaatselijke Kerken uitnodigen. Wanneer zij, verzameld rond hun bisschop, luisteren naar het woord, en het "brood broederlijk met elkaar delen" (vgl. Hnd 2,42) is in elk daarvan "de ene, heilige, katholieke en apostolische Kerk van Christus waarlijk aanwezig en werkt zich uit".1 Meer dan waar ook krijgt het mysterie van het ene volk van God in de concrete situatie van de lokale Kerk de vorm die past bij ieders eigen context en cultuur.

Uiteindelijk is het geworteld zijn van de Kerk in tijd en ruimte een weerspiegeling van de beweging van de Menswording zelf. Door zich te bezinnen op hetgeen de Geest in dit speciale genadejaar, ja in de langere tijdspanne vanaf het Tweede Vaticaans Concilie tot het grote Jubileum, aan het volk van God heeft gezegd, dient thans iedere plaatselijke Kerk na te gaan hoe het met haar ijver staat, en een nieuw elan te vinden voor haar geestelijke en pastorale opdracht. Met dit doel voor ogen wil ik bij de sluiting van het Jubileumjaar door middel van deze brief de bijdrage van mijn Pe-trusambt aanbieden opdat de Kerk in de verscheidenheid van haar gaven en in de eenheid van haar weg steeds helderder moge stralen.

 

I De ontmoeting met Christus, erfenis van het grote Jubileum

4. "Wij danken u, Heer, God, Albeheerser" (Apk 11,17). In de Bul tot afkondiging van het Jubileumjaar sprak ik de hoop uit dat de tweeduizendjaren-viering van het mysterie van de Menswording zou worden beleefd als "een ononderbroken lofzang tot de allerhoogste Drie-eenheid",2 en ook als "een weg tot verzoening en als een teken van authentieke hoop voor hen die opzien naar Christus en de Kerk".3 In dit Jubileumjaar hebben we deze wezenlijke aspecten ervaren; bij momenten waren ze zo intens dat wij als het ware met onze handen de barmhartige aanwezigheid konden aanraken van God, van wie "elke goede gave, elk volmaakt geschenk neerdaalt van boven" (Jak 1,17).

Allereerst denk ik aan de dimensie van lofprijzing. Dit is het uitgangspunt voor ieder die oprecht en gelovig wil ingaan op Gods openbaring in Christus. Christen-zijn is genade, is de verbazing over een God die niet alleen de wereld en de mens heeft willen scheppen, maar die gelijk heeft willen worden aan de door Hem gemaakte mens en, na bij verschillende gelegenheden en op verschillende wijzen door zijn profeten te hebben gesproken, "nu op het einde van de dagen tot ons heeft gesproken door de Zoon" (Heb 1,1-2).

In deze dagen! Ja, het Jubileum heeft ons doen beseffen dat tweeduizend jaren van de geschiedenis voorbij zijn gegaan zonder het volkomen nieuwe aan te tasten van dat ‘heden’, toen de engelen aan de herders het wonderbaar gebeuren aankondigden van Jezus’ geboorte te Betlehem: "Vandaag is in de stad van David uw redder geboren; Hij is de Messias, de Heer" (Lc 2,11). Sindsdien zijn tweeduizend jaar voorbijgegaan, maar Jezus’ verkondiging van zijn zending, door voor zijn verbaasde dorpsgenoten in de synagoge van Nazaret de profetie van Jesaja op zichzelf toe te passen, is actueler dan ooit. "Vandaag is het schriftwoord dat u gehoord hebt in vervulling gegaan" (Lc 4,21). Tweeduizend jaar zijn voorbijgegaan, maar nog steeds ervaren zondaars die naar barmhartigheid verlangen – en voor wie geldt dit niet? – het troostrijke van dat ‘heden nog’ van het heil dat op het kruis de poorten van het Koninkrijk van God opende voor de goede moordenaar: "Ik beloof je, vandaag nog zul je bij Mij zijn in het paradijs" (Lc 23,43).

De volheid der tijden

5. Vanwege het samenvallen van dit Jubileum met het begin van een nieuw millen-nium hebben de mensen ongetwijfeld meer besef gekregen van het mysterie van Christus binnen het grote perspectief van de heilsgeschiedenis, zonder zich over te geven aan chiliastische dromerijen. Het christendom is een godsdienst die geworteld staat in de geschiedenis! Op de bodem der geschiedenis wilde God een verbond sluiten met Israël en zo de geboorte van de Zoon voorbereiden uit de schoot van Maria, "toen de volheid van de tijd gekomen was" (Gal 4,4). In zijn goddelijk en menselijk mysterie beschouwd is Christus grondslag en kern van de geschiedenis, geeft Hij haar betekenis en is haar uiteindelijk doel. In feite is door Hem, het Woord en het beeld van de Vader, "alles ontstaan" (Joh 1,3; vgl. Kol 1,15). Zijn menswording, die haar hoogtepunt vond in het Paasgeheim en de gave van de Geest, is het kloppend hart van de tijd, het mysterievol uur waarop het Koninkrijk van God onder ons kwam (vgl. Mc 1,15), en inderdaad wortel schoot in onze geschiedenis als het zaad dat was voorbestemd om een grote boom te worden (vgl. Mc 4,30-32).

"Lof zij U, Jezus Christus, want U heerst nu en in eeuwigheid." Met dit duizenden malen herhaalde lied hebben wij dit jaar Christus beschouwd zoals het boek van de Openbaring Hem tekent: "de alfa en de omega, de eerste en de laatste, de oorsprong en het einde" (Apk 22,13). En terwijl wij opzagen naar Christus, aanbaden we ook de Vader en de Geest, de ene en onverdeelde Drievuldigheid, het onuitsprekelijk mysterie waarin alles zijn oorsprong en voltooiing vindt.

De zuivering van het geheugen

6. Om met een zuivere blik naar het mysterie te kunnen opzien heeft dit Jubileumjaar sterk in het teken gestaan van het vragen om vergiffenis. Dit geldt niet alleen voor de individuele personen die hun leven aan een gewetensonderzoek onderwierpen om barmhartigheid af te smeken en de speciale aflaat te verdienen, maar voor de gehele Kerk, die wilde herinneren aan de trouweloosheden van velen van haar kinderen, trouweloosheden die in de loop van de geschiedenis een schaduw hebben geworpen op haar gelaat als de bruid van Christus.

Op dit gewetensonderzoek hebben wij ons langdurig voorbereid, ons ervan bewust dat de Kerk, met ook zondaars in haar schoot, "terzelfder tijd heilig en altijd tot uitzuivering geroepen is".4 Studiecongressen hebben ons duidelijk gemaakt in welke opzichten in de loop van de eerste twee millennia de geest van het evangelie niet altijd zichtbaar was. Onvergetelijk blijft de ontroerende liturgische viering van 12 maart 2000 in de basiliek van Sint Petrus, waaronder ik, opziende naar de gekruisigde Heer, in naam van de Kerk vergiffenis vroeg voor de zonden van al haar kinderen. Dankzij deze "zuivering van het geheugen" kunnen wij met vaster tred voortgaan op de weg naar de toekomst, en zijn wij nederiger geworden en waakzamer om trouw te blijven aan het evangelie.

Geloofsgetuigen

7. Dit levendig gevoel van berouw heeft ons echter niet belet de Heer te loven voor hetgeen Hij door de eeuwen heen, en met name tijdens de thans achter ons liggende honderd jaar, heeft gedaan, doordat Hij aan zijn Kerk een grote schare van heiligen en martelaren schonk. Sommigen van hen zijn tijdens dit Jubileumjaar zalig of heilig verklaard. Onverschillig of het hierbij om uit de geschiedenis bekende pausen gaat of om eenvoudige leken en religieuzen uit alle delen van de wereld: gebleken is dat heiligheid het beste het mysterie van de Kerk tot uitdrukking kan brengen. Heiligheid overtuigt zonder omhaal van woorden, en is de levende weerspiegeling van Christus’ gelaat.

Bij gelegenheid van het Heilig Jaar is er ook veel werk verricht om allerlei vormen van aandenken aan de geloofsgetuigen uit de twintigste eeuw te verzamelen. Samen met de vertegenwoordigers van de andere kerken en kerkelijke gemeenschappen hebben wij hen op 7 maart 2000 herdacht in de indrukwekkende omlijsting van het Colosseum, symbool van de geloofsvervolgingen in de oudheid. Dit erfgoed mag niet verloren gaan; wij dienen er steeds dankbaar voor te zijn en ons opnieuw voornemen het na te volgen.

Een Kerk op pelgrimstocht

8. Als volgden zij het spoor van de heiligen, zo zijn talloze zonen en dochters van de Kerk in grote groepen naar Rome getogen, naar de graven van de apostelen, verlangend hun geloof te belijden, hun zonden te biechten en de barmhartigheid te ontvangen die redt. Ik was dit jaar diep onder de indruk van de menigten die zich bij de vele vieringen op het Pietersplein verdrongen. Vaak ben ik blijven staan om te kijken naar de lange rijen pelgrims die geduldig hun beurt afwachtten om door de Heilige Deur te gaan. Bij ieder van hen trachtte ik mij het verhaal van hun leven voor te stellen met zijn vreugden, zorgen en leed; het verhaal van iemand die Christus had ontmoet en die in gesprek met Hem weer zijn of haar weg vol hoop hernam.

Bij het kijken naar die ononderbroken stroom van pelgrims zag ik in hen een soort concreet beeld van de Kerk op haar pelgrimstocht, die Kerk die naar het zeggen van Augustinus "staat temidden van de vervolgingen van de wereld en de vertroostingen van God".5 We hebben alleen de buitenkant kunnen waarnemen van dit unieke gebeuren. Wie zou de wonderen van genade kunnen meten die zich in het hart van de mensen hebben voltrokken? Het is beter zwijgend te aanbidden, met een eenvoudig vertrouwen op het mysterievol werken van God terwijl we zijn mateloze liefde bezingen: "Misericordias Domini in aeternum cantabo!".

De jeugd

9. De vele Jubileumbijeenkomsten brachten de meest uiteenlopende groepen mensen bijeen, en de betrokkenheid was werkelijk indrukwekkend – waarbij soms de toewijding van de kerkelijke en burgerlijke organisatoren en hun medewerkers zwaar op de proef werd gesteld. In deze brief wil ik iedereen mijn oprechte dank uitspreken. Maar de aantallen daargelaten, werd ik vaak geroerd bij het zien van de aandrang waarmee werd gebeden, van de bezinning en geest van onderlinge verbondenheid die deze bijeenkomsten in het algemeen vertoonden.

Hoe zouden we niet met name terugdenken aan de blijde en inspirerende bijeenkomst van de jeugd? Als er een beeld is van het Jubileum van het jaar 2000 dat meer dan welk ander ook in de herinnering zal blijven voortleven, dan is het wel dat van die golven van jonge mensen met wie ik een soort zeer speciale dialoog mocht aangaan, vol wederzijdse genegenheid en begrip. Zo ging het vanaf het moment dat ik hen welkom heette op het plein van Sint Jan van Lateranen en op het Pietersplein. Daarna zag ik hen door de stad uitzwermen, vrolijk zoals jonge mensen dienen te zijn, maar tegelijk nadenkend, verlangend om te bidden, op zoek naar ‘zingeving’ en ware vriendschap. Zij noch degenen die hen zagen zullen gemakkelijk deze week vergeten waaronder Rome ‘jeugdig werd met de jeugd’. Onvergetelijk was de eucharistieviering bij Tor Vergata.

Opnieuw bleken de jonge mensen voor Rome en voor de Kerk een speciale gave te zijn van Gods Geest. Soms, als we naar de jeugd kijken met de voor hen in de huidige maatschappij kenmerkende problemen en zwakheden, zijn we tot pessimisme geneigd. Het Jubileum van de jeugd heeft daarin verandering gebracht, doordat het ons vertelde dat, met al hun eventuele onevenwichtigheden, jonge mensen diep in hun hart verlangen naar die waarachtige waarden die in Christus in volheid aanwezig zijn. Is Christus niet het geheim van ware vrijheid en diepe inwendige vreugde? Is Christus niet de vriend bij uitstek en de leraar van alle ware vriendschap? Als Christus aan jonge mensen wordt voorgehouden zoals Hij werkelijk is, ervaren zij Hem als een overtuigend antwoord en kunnen zij zijn boodschap aanvaarden, ook al is deze veeleisend en draagt ze het teken van het kruis. Daarom heb ik in reactie op hun geestdrift niet geaarzeld aan hen te vragen een radicale keuze van geloof en leven te maken, en hun te wijzen op een schitterende opdracht: te worden tot "wachters in de morgen" (vgl. Js 21,11-12) bij de dageraad van het nieuwe millennium.

Allerlei soorten pelgrims

10. Natuurlijk kan ik niet in detail op elke apart Jubileumonderdeel ingaan. Elk daarvan had een eigen karakter en liet een boodschap na, niet alleen voor hen die er direct aan deelnamen, maar ook voor hen die erover hoorden spreken of door middel van de media er van verre aan deelnamen. Maar hoe zouden we de feestelijke sfeer kunnen vergeten van de eerste grote bijeenkomst die aan de kinderen was gewijd? Door met hen te beginnen hebben we in zekere zin aan Christus’ oproep gehoor gegeven: "Laat die kinderen bij Me komen" (Mc 10,14). Misschien betekende het meer nog, dat we deden wat Hij deed toen Hij midden onder de leerlingen een kind plaatste en het maakte tot het eigen symbool van de houding die van ons gevraagd wordt om het Koninkrijk van God binnen te gaan (vgl. Mt 18,2-4).

Het was zo in zekere zin in het spoor van de kinderen dat de meest uiteenlopende groepen van volwassenen naar Rome zijn gekomen om de in het Jubeljaar werkzame genade van God af te smeken: bejaarden, zieken, gehandicapten, fabrieks- en landarbeiders, sportlieden, kunstenaars, hoogleraren, bisschoppen en priesters, kloosterlingen, politici en journalisten, militairen die kwamen bevestigen dat de zin van hun dienst in het leger was de vrede te dienen.

Een van de belangrijkste evenementen was de bijeenkomst van de arbeiders op 1 mei, de traditionele dag van de arbeid. Ik vroeg hun Jozef en Jezus zelf na te volgen en zo de spiritualiteit van de arbeid te beleven. Van deze Jubileumbijeenkomst maakte ik gebruik om een krachtige oproep te doen tot verbetering van de economische en maatschappelijke wanverhoudingen in de wereld van de arbeid, en tot het vastberaden streven om bij het proces van economische globalisering de noodzakelijke aandacht te besteden aan de solidariteit en de eerbied waarop iedere mens recht heeft.

Met hun ontembare levenslust waren de kinderen opnieuw aanwezig bij het Jubileum van de gezinnen waarbij ik hen aan de wereld voorhield als "de lente van gezin en samenleving". Het was een indrukwekkende bijeenkomst: talloze uit alle delen van de wereld afkomstige gezinnen waren bijeengekomen om nieuw enthousiasme te putten uit het licht dat Christus laat schijnen over Gods oorspronkelijke bedoeling met hen (vgl. Mc 10,6-8; Mt 19,4-6); ze namen op zich dat licht uit te dragen in een cultuur die steeds beangstigender het zicht dreigt te verliezen op de eigen betekenis van huwelijk en gezin als instituut.

Een van de aangrijpendste momenten was voor mij de bijeenkomst met de gevangenen in Regina Coeli. In hun ogen zag ik pijn, maar ook berouw en hoop. Op speciale wijze was het Jubileum voor hen een ‘jaar van barmhartigheid’.

In de laatste dagen van het jaar, tot slot, was er de sympathieke ontmoeting met de theater- en filmwereld, die zo een grote invloed heeft op de mensen. Ik wees alle daarbij betrokkenen erop dat zij niet alleen voor prettige ontspanning moesten zorgen maar ook een positieve en moreel gezonde boodschap dienden te bieden die vertrouwen en liefde voor het leven kan wekken.

Het Internationaal Eucharistisch Congres

11. In de geest van het Jubileum zou het Internationaal Eucharistisch Congres bijzonder belangrijk zijn. En dat was ook zo! De eucharistie is het onder ons tegenwoordig gestelde offer van Christus; zou dan de werkelijke aanwezigheid van Christus niet centraal staan in het Heilig Jaar dat gewijd was aan de Menswording in de wereld? Juist om die reden was het de bedoeling dat het jaar een "intens eucharistisch karakter" zou hebben,6 en zo hebben we het ook trachten te beleven. En zou, naast de gedachtenis aan de geboorte van de Zoon, de gedachtenis mogen ontbreken aan de Moeder? Maria was in de Jubileumviering niet alleen aanwezig als onderwerp van bespreking in zeer diepzinnige academische bijeenkomsten, maar bovenal in de grote Akte van Toewijding waarmee ik, in tegenwoordigheid van een groot deel van het wereldepiscopaat, aan haar moederlijke zorg het leven toevertrouwde van de mannen en vrouwen in het nieuwe millennium.

De oecumenische dimensie

12. U zult begrijpen dat ik spontaan meer geneigd ben vanuit het perspectief van de Stoel van Petrus te spreken over het Jubileumjaar. Toch vergeet ik niet dat ikzelf wilde dat het Jubileum ook in de particuliere Kerken gevierd zou worden, en het was daar dat de meerderheid van de gelovigen de speciale genaden van dit Jubileumjaar en in het bijzonder de ermee verbonden aflaat kon verdienen. Toch was het opmerkelijk dat veel diocesen ook hier in Rome met grote groepen gelovigen aanwezig wilden zijn. De Eeuwige Stad heeft zo opnieuw getoond dat zij door de Voorzienigheid bestemd is de plaats te zijn waar de rijkdommen en gaven van iedere afzonderlijke kerk, ja van iedere afzonderlijke natie en cultuur, in ‘catholiciteit’ samenklinken, zodat de éne Kerk van Christus steeds duidelijker haar geheim kan tonen als "sacrament van de eenheid".7

Ik had ook gevraagd dat in het programma van het Jubileumjaar speciale aandacht zou worden besteed aan het oecumenisch aspect. Zou er wel een meer geschikte gelegenheid zijn om de vooruitgang te stimuleren op het pad naar de volledige communio dan de gezamenlijke viering van Christus’ geboorte? Met dit voor ogen werd veel werk verzet, en een van de hoogtepunten was de oecumenische samenkomst in de basiliek van de heilige Paulus op 18 januari 2000, toen voor het eerst in de geschiedenis de Heilige Deur gezamenlijk werd geopend door Petrus’ opvolger, door de anglicaanse primaat en door een metropoliet van het oecumenisch patriarchaat van Constantinopel, in aanwezigheid van vertegenwoordigers van kerken en kerkelijke gemeenschappen uit de gehele wereld. Er waren ook andere belangrijke ontmoetingen met orthodoxe patriarchen en leiders van andere christelijke belijdenissen. Ik herinner met name aan het recente bezoek van zijne heiligheid Karekin II, opperste patriarch en Catholicos van alle Armeniërs. Bovendien namen zeer veel leden van andere kerken en kerkelijke gemeenschappen deel aan verschillende soorten Jubileumbijeenkomsten. De weg naar de oecumene is ongetwijfeld nog moeilijk en zal misschien nog veel tijd vragen, maar we blijven bezield door de hoop dat wij geleid worden door de aanwezigheid van Hem die Verrezen is en door de onuitputtelijke kracht van zijn Geest die tot steeds nieuwe verrassingen in staat is.

Bedevaart naar het Heilige Land

13. En zou ik niet terugdenken aan mijn persoonlijk Jubileum langs de wegen van het Heilig Land? Ik zou deze tocht graag hebben willen beginnen in Ur van de Chaldeeën om als het ware concreet in de voetstappen te treden van Abraham "onze vader in het geloof" (vgl. Rom 4,11-16). Ik moest echter genoegen nemen met een pelgrimstocht in de geest, bij gelegenheid van de indringende Liturgie van het Woord die op 23 februa-ri gevierd werd in de Paulus VI Audience Hall. De eigenlijke pelgrimstocht begon bijna meteen daarna; ik volgde daarbij de etappes van de heilsgeschiedenis. Zo mocht ik tot mijn vreugde de berg Sinaï bezoeken waar de Tien Geboden van het Eerste Verbond werden geschonken. Een maand later ging ik opnieuw op weg, bereikte de berg Nebo en bezocht daarna de door de Verlosser bewoonde en geheiligde plaatsen. Ik kan moeilijk beschrijven hoe geroerd ik was Betlehem en Nazaret te mogen bezoeken, de plaatsen waar Hij werd geboren en opgroeide, de eucharistie te kunnen vieren in de Bovenzaal, de plaats zelf waar deze werd ingesteld, opnieuw te mediteren over het geheim van het kruis op Golgota, waar Hij zijn leven voor ons gaf. Op deze roerige en kortgeleden nog door geweld geteisterde plaatsen werd ik bijzonder hartelijk welkom geheten, niet alleen door leden van de Kerk, maar ook door de gemeenschappen van Israëli’s en Palestijnen. Groot was ook mijn ontroering toen ik bad bij de Klaagmuur en een bezoek bracht aan het mausoleum Yad Vashem, een huiveringwekkende gedachtenis aan de slachtoffers uit de vernietigingskampen van de nazi’s. Mijn pelgrimstocht was een moment van broederschap en vrede, en graag denk ik eraan terug als een van de mooiste gaven van het gehele Jubileumgebeuren. Als ik denk aan de sfeer van die dagen kan ik alleen maar zeggen hoe intens ik verlang naar een snelle en rechtvaardige oplossing voor de nog onopgeloste problemen betreffende de heilige plaatsen die joden, christenen en moslims even dierbaar zijn.

Internationale schuld

14. Het Jubileum was ook – en het kon ook niet anders – een groots gebeuren van naastenliefde. Reeds in de jaren van voorbereiding had ik opgeroepen tot een groter en doortastender aandacht voor de problemen van de armoede waaronder de wereld nog steeds gebukt gaat. In verband hiermee kreeg het vraagstuk van de internationale schulden van arme landen een bijzondere betekenis. Een edelmoedig gebaar naar deze landen was geheel volgens de geest van het Jubileum; in de oorspronkelijke bijbelse opzet was het Jubeljaar immers juist de tijd waarin de gemeenschap zich verplichtte tot het herstellen van gerechtigheid en solidariteit in de onderlinge betrekkingen tussen de mensen, en ook tot teruggave van hetgeen aan anderen had toebehoord. Tot mijn vreugde heb ik gezien dat onlangs in vele krediet verlenende staten het parlement besloten heeft de vorderingen op de armste en het meest onder schulden gebukt gaande landen aanzienlijk te verminderen. Ik hoop dat de betreffende regeringen deze parlementaire beslissingen spoedig ten uitvoer zullen leggen. Een groter probleem is de kwestie gebleken van de multilaterale schulden die arme landen hebben bij internationale financiële organisaties. Het is te hopen dat de lidstaten van deze organisaties, met name de meest invloedrijke, tot de noodzakelijke overeenstemming zullen weten te komen zodat men een snelle oplossing kan bereiken voor dit vraagstuk waarvan de vooruitgang van vele landen afhankelijk is, en dat ernstige gevolgen heeft voor de economie en de leefomstandigheden van zo talrijke volken.

Een nieuwe dynamiek

15. Dit zijn slechts enkele elementen uit de Jubileumviering. Wij houden er veel herinneringen aan over. Maar vraagt men naar haar allerbelangrijkste nalatenschap, dan aarzel ik niet dat te omschrijven als de beschouwing van het gelaat van Christus: Christus beschouwd in zijn historische trekken en in zijn mysterie, Christus verwelkomd in zijn veelvoudige aanwezigheid in de Kerk en in de wereld, beleden als de zin van de geschiedenis en het licht op ons levenspad.

Nu moeten we vooruit kijken, we moeten "het diepe water opgaan" in vertrouwen op Christus’ woord: Duc in altum! Wat we dit jaar gedaan hebben mag niet leiden tot zelfgenoegzaamheid en nog minder tot verslapping van onze inzet. Integendeel, hetgeen we hebben meegemaakt zou in ons nieuwe energie moeten opwekken en ons aanzetten om de geestdrift die we voelden, in concrete initiatieven om te zetten. Jezus zelf waarschuwt ons: "Wie de hand aan de ploeg slaat en dan nog eens omkijkt, deugt niet voor het koninkrijk van God" (Lc 9,62). Waar het gaat om het koninkrijk van God, is er geen tijd om achterom te kijken en nog minder om lui te worden. Er valt veel te doen, en daarom moeten wij een doeltreffend pastoraal plan opzetten voor de tijd na het Jubileum.

Maar het is belangrijk dat hetgeen wij met Gods hulp voorstellen, diep geworteld staat in beschouwing en gebed. Onze tijd is een tijd van voortdurend in beweging zijn, hetgeen vaak dreigt te leiden tot een rusteloos ‘bezig zijn louter omwille van het bezig zijn’. We moeten deze bekoring weerstaan door te trachten te ‘zijn’ alvorens we ons om het ‘doen’ bekommeren. In dit verband moeten we denken aan het verwijt dat Jezus aan Marta deed: "... je maakt je bezorgd en druk over van alles, maar slechts één ding is nodig" (Lc 10,41-42). In deze geest wil ik, alvorens u een aantal praktische richtlijnen in overweging te geven, u over het mysterie van Christus, de absolute grondslag van al ons pastoraal handelen, enige punten ter meditatie voorleggen.

 

II Een gelaat om te beschouwen

16. "We zouden Jezus willen ontmoeten" (Joh 12,21). Dit aan Filippus gedaan verzoek van enkele Grieken, die bij gelegenheid van het Paasfeest op bedevaart naar Jeruzalem waren gegaan, klinkt ook in dit Jubileumjaar in de oren van onze geest. Zoals deze pelgrims van tweeduizend jaar geleden vragen de mannen en vrouwen uit onze tijd – vaak misschien zonder er zich van bewust te zijn – aan de gelovigen niet alleen over Christus te ‘spreken’, maar Hem aan hen te ‘laten zien’. En heeft de Kerk niet de opdracht om het licht van Christus in elk tijdperk van de geschiedenis te weerspiegelen, en zijn gelaat ook voor de generaties van het nieuwe millennium te doen schijnen?

Ons getuigenis zou echter hopeloos tekortschieten indien wij zelf niet eerst zijn gelaat hadden beschouwd. Het grote Jubileum heeft ons zeker geholpen om dat intenser te doen. Nu wij bij het einde van het Jubileum terugkeren naar onze dagelijkse routine, terwijl we in ons hart de kostbaarheden meedragen van deze zeer bijzondere tijd, blijft onze blik meer dan ooit vast gericht op het gelaat van de Heer.

Het getuigenis van de evangeliën

17. De beschouwing van Christus’ gelaat moet zich laten inspireren door alles wat over Hem wordt verhaald in de heilige Schrift, die van het begin tot het einde doortrokken is van zijn mysterie; dit wordt op versluierde wijze voorafgebeeld in het Oude Testament, en volledig geopenbaard in het Nieuwe Testament. Hiëronymus kan dan ook met kracht stellen: "Wie de Schrift niet kent, kent Christus niet."8 Vast verankerd in de Schrift stellen wij ons open voor de werking van de Geest (vgl. Joh 15,26) die aan de oorsprong staat van de heilige tekst, en voor het getuigenis van de apostelen (vgl. Joh 15,27) die Christus, het Woord van leven, van nabij hebben meegemaakt, met hun ogen hebben gezien, met hun oren gehoord, met hun handen aangeraakt (vgl. 1Joh 1,1).

Van hen ontvangen wij een geloofsvisie gebaseerd op nauwkeurig historisch getuigenis: een waarachtig getuigenis dat de evangeliën, ondanks hun gecompliceerde samenstelling en primair catechetische doelstelling, ons op volstrekt geloofwaardige wijze overbrengen.9

18. De evangeliën beweren niet een complete levensbeschrijving te zijn van Jezus volgens de regels van de moderne historische wetenschap. Met een degelijke historische ondergrond komt er toch het gelaat uit naar voren van de Nazoreeër. De evangelisten hebben zich ingespannen Hem te tekenen op grond van de betrouwbare getuigenissen die ze hebben verzameld (vgl. Lc 1,3) en werkten aan de hand van documenten die onderworpen waren aan zorgvuldig kerkelijk onderzoek. Het was op grond van zulke getuigenissen van het eerste uur dat zij, verlicht door de werking van de heilige Geest, van het voor de mens niet te bevatten feit hoorden van Jezus’ maagdelijke geboorte uit Maria, Jozefs vrouw. Uit de mond van hen die Hem gekend hadden tijdens de bijna dertig jaar die Hij in Nazaret doorbracht (vgl. Lc 3,23), verzamelden ze gegevens over het leven van de "zoon van de timmerman" (Mt 13,55), die zelf "timmerman" was en wiens plaats binnen de kring van zijn verwanten duidelijk vaststond (vgl. Mc 6,3). Zij vermeldden zijn godsdienstijver die Hem ertoe bracht ieder jaar met zijn verwanten op bedevaart te gaan naar de tempel in Jeruzalem (vgl. Lc 2,41), en Hem tot een vaste bezoeker maakte van de synagoge in zijn eigen stad (vgl. Lc 4,16).

Vanaf het moment dat de jonge Gallileeër in de Jordaan door Johannes de Doper wordt gedoopt, worden de verslagen over zijn openbaar optreden, zonder volledig te zijn en zich in details te verliezen, veel uitvoeriger. Gesterkt door het getuigenis uit den hoge en in het besef dat Hij de "geliefde Zoon" is (Lc 3,22) begint Hij zijn prediking van het komende koninkrijk van God, en licht de eisen en de kracht ervan toe met woorden en tekenen van genade en barmhartigheid. De evangeliën schilderen hoe Hij rondtrekt door steden en dorpen, vergezeld door de twaalf apostelen die Hij heeft uitgekozen (vgl. Mt 3,13-19), door een groep vrouwen die Hem en de apostelen bijstaan, door mensenmenigten die Hem opzoeken of volgen, door zieken die een beroep doen op zijn genezende kracht, door mensen die met uiteenlopend gevolg naar Hem luisteren.

De gezamenlijke evangelieverhalen spreken dan over de groeiende spanning die tussen Jezus en de leidende groepen in de toenmalige godsdienstige samenleving ontstaat en die uitloopt op de uiteindelijke crisis met haar dramatische climax op Golgota. Dat is het uur der duisternis, dat gevolgd wordt door een nieuwe, stralende en definitieve dageraad. Tot slot immers laten de evangelieverhalen de Nazoreeër zien als overwinnaar van de dood. Ze wijzen op het lege graf en volgen Hem bij de reeks verschijningen waarin de leerlingen – eerst volkomen onthutst en verward, en dan met onzegbare vreugde vervuld – zijn levende en stralende aanwezigheid ervaren. Van Hem ontvangen zij de gave van de Geest (vgl. Joh 20,22) en de opdracht om de Blijde Boodschap te verkondigen aan "alle volkeren" (Mt 28,19).

De weg van het geloof

19. "Vreugde vervulde de leerlingen toen ze de Heer zagen" (Joh 20,20). Het gelaat dat de apostelen na de verrijzenis beschouwden was hetzelfde gelaat van de Jezus met wie zij bijna drie jaar lang samen waren opgetrokken, en die hen nu overtuigde van de verbijsterende waarheid van zijn nieuwe leven, door hun "zijn handen en zijn zijde" te tonen (t.a.p.) Het was natuurlijk niet makkelijk te geloven. De Emmaüsgangers kwamen pas na een lange geestelijke zoektocht tot geloof (vgl. Lc 24,13-35). De apostel Thomas geloofde pas nadat hij zelf het wonder had vastgesteld (vgl. Joh 20,24-29). Hoezeer men zijn lichaam ook mocht zien en aanraken, toch was in feite alleen geloof in staat volledig door te dringen in het mysterie van dat gelaat. Deze ervaring moeten de leerlingen al gehad hebben gedurende het historische leven van Christus, bij de vragen namelijk die bij hen opkwamen telkens als zij zich door zijn woorden en daden voor een raadsel gesteld voelden. Men kan Jezus alleen werkelijk bereiken langs de weg van het geloof; hoe deze weg verloopt schijnt ons door het evangelie zelf duidelijk te worden aangegeven in de bekende scène te Caesarea Philippi (vgl. Mt 16,13-20). Als wilde Hij een eerste balans opmaken van zijn zending vraagt Jezus aan zijn leerlingen wat "de mensen" over Hem denken. Ze antwoorden Hem: "Volgens sommigen Johannes de Doper, volgens anderen Elia, volgens weer anderen Jeremia of een van de profeten" (Mt 16,14). Voorwaar een indrukwekkend antwoord, maar hoe ver nog verwijderd van de waarheid! De menigten zijn in staat een beslist uitzonderlijke religieuze dimensie te ontwaren in de rabbi die op zo betoverende wijze weet te spreken, maar ze zijn niet in staat Hem te stellen boven deze Godsmannen die de geschiedenis van Israël hadden gemarkeerd. In feite is Jezus heel anders. Van hen die Hem het meest nabij zijn verwacht Hij dat zij beter zullen beseffen wie Hij ten diepste is: "En jullie, wie ben Ik volgens jullie?" (Mt 16,15). Alleen het door Petrus, en met hem door de Kerk van alle tijden beleden geloof gaat tot de kern en raakt de diepte van het mysterie: "U bent de Messias, de Zoon van de levende God" (Mt 16,16).

20. Hoe was Petrus tot dit geloof gekomen? En wat wordt van ons gevraagd als we met steeds groter overtuiging zijn voorbeeld willen volgen? Matteüs maakt het ons duidelijk met de woorden waarmee Jezus Pe-trus’ belijdenis aanvaardt: "Niet vlees en bloed hebben jou dat onthuld, maar mijn Vader in de hemel" (16,17). De uitdrukking "vlees en bloed" slaat op de mens en op de manier waarop wij de dingen gewoonlijk verstaan. In het geval van Jezus is deze gebruikelijke manier niet genoeg. Er is de genade nodig van de ‘openbaring’ die de Vader schenkt (vgl. t.a.p.). Lucas geeft ons een soortgelijke aanduiding, wanneer hij noteert dat deze dialoog met de leerlingen plaats vond toen Jezus "aan het bidden was, alleen zijn leerlingen waren bij Hem" (Lc 9,18). Deze beide aanduidingen maken het samen duidelijk dat wij niet puur door eigen inspanning kunnen komen tot de volle aanschouwing van het gelaat van de Heer, maar dat wij ons aan de hand moeten laten nemen door de genade. Alleen de ervaring van stilte en gebed biedt het geëigende kader waarbinnen een waarachtige, getrouwe en samenhangende kennis kan groeien en rijpen van dat mysterie, dat zijn hoogste verwoording vindt in de plechtige verkondiging door de evangelist Johannes: "Ja, het woord is vlees geworden! Hij is onder ons zijn tent komen opslaan en we hebben zijn heerlijkheid gezien, de heerlijkheid die Hij als eniggeboren Zoon aan de Vader ontleende, vervuld als Hij was van genade en waarheid" (Joh 1,14).

De diepte van het mysterie

21. Het Woord en het vlees, de goddelijke heerlijkheid en zijn tent onder ons! In de intieme en onlosmakelijke eenheid van deze twee uitersten is het eigen wezen van Christus gelegen, overeenkomstig de klassieke formule van het Concilie van Chalcedon (451): "één persoon in twee naturen." De persoon is die, en alleen die, van het Eeuwig Woord, de Zoon van de Vader. De twee naturen zijn, zonder welke vermenging ook, maar zonder van elkaar gescheiden te kunnen worden, de goddelijke en de menselijke natuur.10

We weten dat onze begrippen en woorden beperkt zijn. De formule blijft steeds menselijk, maar haar leerstellige inhoud is zorgvuldig afgewogen, en geeft ons in zekere zin toegang tot de afgrondelijke diepten van het mysterie. Ja, Jezus is waarlijk God en waarlijk mens! Gelijk de apostel Tomas wordt de Kerk voortdurend door Christus uitgenodigd om zijn wonden aan te raken, dat wil zeggen zijn volledig menszijn te erkennen dat Hij van Maria ontving, dat aan de dood werd overgeleverd en dat verheerlijkt werd door de verrijzenis: "Kijk maar, hier zijn mijn handen; kom nu maar met je vinger. En kom met je hand om de opening in mijn zijde te voelen" (Joh 20,27) Zoals Tomas buigt de Kerk aanbiddend neer voor de Verrezene die bekleed is met de volle glans van zijn goddelijke heerlijkheid; zij blijft steeds door zeggen: "Mijn Heer! Mijn God!" (Joh 20,28).

22. "Het Woord is vlees geworden" (Joh 1,14). Deze treffende formulering door Johannes van het mysterie van Christus wordt bevestigd door het gehele Nieuwe Testament. De apostel Paulus stelt zich op deze zelfde lijn wanneer hij zegt dat de Zoon van God "naar het vlees is geboren uit het geslacht van David" (Rom 1,3; vgl. 9,5). Terwijl tegenwoordig, vanwege het rationalisme dat in een groot deel van de hedendaagse cultuur is doorgedrongen, vooral het geloof in de godheid van Christus een probleem is geworden, bestond in andere historische en culturele omstandigheden de neiging om het concrete en historische karakter van Jezus’ menszijn te betwijfelen of af te wijzen. Maar voor het geloof van de Kerk is het van wezensbelang en noodzakelijk te zeggen dat het Woord werkelijk "vlees is geworden", en het menszijn in alle opzichten heeft aangenomen met uitzondering van de zonde (vgl. Heb 4,15). Zo gezien is de menswording werkelijk een kenosis – een ‘zelfontlediging’ – door de Zoon van God van de heerlijkheid die Hem toekomt van alle eeuwigheid (Fil 2,6-8; vgl. 1Pe 3, 18).

Van de andere kant is de ontlediging van Gods Zoon geen doel in zich; ze tendeert veeleer naar de volle verheerlijking van Christus, ook in zijn menszijn: "Daarom ook heeft God Hem hoog verheven en Hem de naam verleend die boven alle namen staat, opdat in de naam van Jezus iedere knie zich zou buigen, in de hemel, op aarde en onder de aarde, en iedere tong zou belijden tot eer van God de Vader: de Heer, dat is Jezus Christus" (Fil 2,9-11).

23. "Uw gelaat blijf ik zoeken Heer" (Ps 27,8). Het oude verlangen van de psalmist kon niet grootser en verrassender worden vervuld dan door de aanschouwing van Christus’ gelaat. God heeft ons werkelijk in Hem gezegend en "zijn aanschijn over ons doen lichten" (vgl. Ps 67,2). Tegelijk openbaart Hij, die God en mens is, het ware gelaat van de mens, "Hij maakt de mens voor zichzelf duidelijk".11

Jezus is "de nieuwe mens" (vgl. Ef 4,24; Kol 3,10) die de verloste mensheid uitnodigt tot deelname aan zijn goddelijk leven. In het geheim van de menswording wordt de grondslag gelegd voor een antropologie die haar eigen beperkingen en tegenstrijdig-heden overstijgt en naar God zelf toebeweegt, ja gericht is op ‘vergoddelijking’, doordat de verloste mens geënt wordt op Christus en toegelaten wordt tot de intimiteit van het leven met de Drie-ene God. De kerkvaders hebben grote nadruk gelegd op dit soteriologisch aspect van het mysterie van de menswording: alleen omdat de Zoon van God werkelijk mens werd, kan de mens in en door Hem werkelijk kind van God worden.12

Het gelaat van de Zoon

24. Deze godmenselijke identiteit komt krachtig naar voren uit de evangeliën; ze bieden ons een reeks gegevens waardoor we het ‘grensgebied’ van het mysterie kunnen betreden, het besef namelijk dat Christus van zichzelf heeft. Voor de Kerk staat vast dat de evangelisten in hun verslagen, en onder ingeving van omhoog, in de woorden die Jezus sprak correct de waarheid hebben verstaan over wie Hij was, en over zijn zelfbesef. Wil Lucas ons niet juist dát vertellen, als hij Jezus’ eerste woorden optekent die Hij amper twaalf jaar oud in de tempel in Jeruzalem sprak? Toen reeds liet Hij blijken dat Hij besef had van zijn unieke relatie met God, juist de relatie van een ‘Zoon’. Als zijn moeder Hem zegt met hoeveel bezorgdheid zij en Jozef Hem hebben gezocht, antwoordt Jezus zonder aarzelen: "Waarom hebben jullie mij gezocht? Wisten jullie niet dat ik bij mijn Vader moest zijn?" (Lc 2,49). Het is dan ook niet verwonderlijk dat Hij als volwassen man gezaghebbend de diepte van zijn eigen mysterie uitspreekt, zoals zowel bij de synoptische evangelies (vgl. Mt 11,27; Lc 10,22) als vooral in het evangelie van Johannes zonneklaar blijkt. Jezus kent geen twijfels: "de Vader is in Mij en Ik ben in de Vader" (Joh 10,38).

Omdat Hij als mens "een wijs en volwassen man werd, die steeds meer in de gunst kwam bij God en de mensen" (Lc 2,52) mag men weliswaar heel terecht stellen dat het besef dat Jezus had van zijn eigen mysterie, zich ten volle ontplooid heeft in zijn verheerlijkte mensheid, maar dat zonder enige twijfel Jezus reeds in zijn historisch bestaan besefte de Zoon van God te zijn. Johannes benadrukt dit zozeer dat hij zegt dat Jezus vanwege dit besef werd uitgestoten en veroordeeld: zij zochten Hem te doden "omdat Hij niet alleen de sabbat aantastte, Hij noemde ook nog God zijn Vader en stelde zo zichzelf met God gelijk" (Joh 5,18). In Getsemane en op Golgota zal dit besef van Jezus ten uiterste op de proef worden gesteld. Maar zelfs het drama van zijn lijden en dood zullen zijn vaste zekerheid de Zoon te zijn van de Vader in de hemel niet aan het wankelen kunnen brengen.

Een lijdend gelaat

25. Wanneer wij opzien naar Christus’ gelaat komen we te staan voor het meest paradoxale aspect van zijn mysterie zoals dit in zijn laatste uur, op het kruis, naar voren komt. Het mysterie in het mysterie, waarvoor wij ons alleen maar in aanbidding kunnen neerbuigen.

Het tafereel van Jezus’ doodsangst speelt zich in alle hevigheid voor onze ogen af. Overweldigd door het lijden dat Hij voorziet, alleen met de Vader, roept Jezus tot Hem met zijn kenmerkende tedere vertrouwen: "Abba, Vader." Hij vraagt Hem om, als het mogelijk is, de kelk van het lijden van Hem weg te nemen (vgl. Mc 14,36). Maar de Vader schijnt niet te willen luisteren naar de noodkreet van de Zoon. Om de mens het gelaat van de Vader terug te geven, moest Jezus niet alleen het gelaat van de mens aannemen, maar ook zich beladen met het ‘gelaat’ van de zonde. "Hem die geen zonde heeft gekend, heeft God voor ons tot zonde gemaakt, opdat wij door Hem Gods gerechtigheid zouden worden" (2Kor 5,21).

Nooit zullen wij dit mysterie geheel kunnen doorgronden. Heel de bitterheid van de paradox klinkt in Jezus’ schijnbaar wanhopige kreet van smart op het kruis: "Eloi, Eloi, lama sabachtani?" Dat betekent: "Mijn God, mijn God, waarom hebt U Mij in de steek gelaten?" (Mc 15,34). Kan men zich een groter foltering, een volkomener duisternis voorstellen? In feite komt in het beklemmende "waarom" dat Hij met de beginwoorden van psalm tweeëntwintig tot de Vader richt heel de werkelijkheid van een onzegbaar leed tot uitdrukking; maar het wordt ook doorlicht door de betekenis van het gehele gebed waarin de psalmist lijden en vertrouwen in een ontroerende mengeling van gevoelens met elkaar verenigt. Immers, de psalmist gaat door en zegt: "Onze vaderen vertrouwden op U, vertrouwden op U, en U hebt hen gered ... Blijf niet ver van mij, want ongeluk nadert, en er is geen mens die mij helpt" (Ps 22,5.12).

26. Jezus’ kreet aan het kruis, dierbare broeders en zusters, is niet de angstschreeuw van een wanhopige, maar het gebed van de Zoon die in liefde zijn leven aan de Vader aanbiedt voor het heil van alle mensen. Juist op het moment dat Hij zich met onze zonden vereenzelvigt, ‘verlaten’ door de Vader, ‘geeft Hij zich over’ in de handen van de Vader. Zijn ogen blijven op de Vader gericht. Juist vanwege de ervaring en kennis die alleen Hij heeft van de Vader ziet Hij zelfs in dit duistere uur duidelijk de ernst van de zonden en lijdt daaronder. Alleen Hij, die de Vader ziet en ten volle in Hem zijn vreugde vindt, kan volledig begrijpen wat het betekent als door de zonde weerstand wordt geboden aan de liefde van de Vader. Meer dan het ervaren van lichamelijke pijn is zijn Lijden een beklemmend lijden van de ziel. De theologische traditie heeft zich natuurlijk afgevraagd hoe het mogelijk was dat Jezus tezelfdertijd zijn diepe eenheid met de Vader kon ervaren die uit zich een bron is van vreugde en geluk, én een doodstrijd die leidde tot de kreet van algehele verlatenheid. De gelijktijdige aanwezigheid van deze twee schijnbaar onverenigbare aspecten is verworteld in de onpeilbare diepte van de hypostatische vereniging.

27. Geconfronteerd met dit groot mysterie kunnen we niet alleen door theologisch onderzoek maar ook door de grote erfschat van de ‘doorleefde theologie’ van de heiligen heel goed geholpen worden. De heiligen bieden ons kostbare aanwijzingen waardoor wij gemakkelijker de intuïtie van het geloof kunnen verstaan, en wel dankzij de speciale verlichting die sommigen van hen van de heilige Geest hebben ontvangen, of zelfs doordat zij persoonlijk die vreselijke stadia doorleefd hebben van de beproeving die in de mystieke traditie wordt omschreven als de ‘donkere nacht’. Niet zelden hebben heiligen iets meegemaakt dat lijkt op hetgeen Jezus op het kruis ervoer in een paradoxaal ‘dooreen’ van geestverrukking en smart. In de Dialoog van de goddelijke Voorzienigheid toont God de Vader aan Catharina van Siena hoe vreugde en lijden in heilige zielen kunnen samengaan: "Zo is de ziel gelukkig en bedroefd: bedroefd vanwege de zonden van de naaste, gelukkig vanwege de verbondenheid en warme liefde die zij in zich heeft ontvangen. Het gaat de zielen als het onbevlekte Lam, mijn Eengeboren Zoon die op het kruis gelukkig was en tegelijk smarten leed."13 Op dezelfde wijze doorleefde Theresia van Lisieux haar doodsangst in verbondenheid met Jezus’ doodsangst, en ‘ervoer’ in zichzelf juist die paradox van de gelukkige en in doodsnood verkerende Jezus: "In de hof van Olijven werd Onze Heer gezegend met alle vreugden van de Drie-eenheid, en toch was zijn doodsangst niet minder wreed. Het is een mysterie, maar ik verzeker u dat ik op grond van wat ik zelf voel, iets daarvan kan begrijpen."14 Welk een lichtend getuigenis! Bovendien geven de verslagen van de evangelisten zelf de grondslag voor dit inzicht van de Kerk omtrent Christus’ bewustzijn, wanneer zij vermelden dat Hij zelfs in de afgrond van zijn lijden om vergiffenis bad voor zijn beulen (vgl. Lc 23,24) en zijn fundamentele kinderlijke overgave aan de Vader uitsprak: "Vader, in uw handen beveel Ik mijn geest" (Lc 23,46).

Het gelaat van Hem die verrezen is

28. Zoals op Goede Vrijdag en Paaszaterdag blijft de Kerk langdurig verzonken in de beschouwing van dit bloedende gelaat waarin Gods leven verborgen is en dat heil brengt aan de wereld. Maar haar beschouwing van Christus’ gelaat mag niet halt houden bij het beeld van de gekruisigde. Hij is de Verrezene! Als dat niet zo zou zijn, zou onze prediking zonder inhoud zijn en ons geloof leeg (vgl. 1Kor 15,14). De verrijzenis was het antwoord van de Vader op Christus’ gehoorzaamheid, zoals de brief aan de Hebreeën ons leert: "In de dagen van zijn sterfelijk leven heeft Hij onder luid geroep en onder tranen gebeden en gesmeekt tot God, die Hem uit de dood kon redden. Na de doorstane angst is Hij verhoord. Hoewel Hij Gods Zoon was, heeft Hij in de school van het lijden gehoorzaamheid geleerd; en toen Hij tot de voleinding was gekomen, is Hij voor allen die Hem gehoorzamen, oorzaak geworden van eeuwige redding" (Heb 5,7-9).

Het is op de verrezen Christus dat de Kerk thans haar ogen gericht houdt. Zij doet dit in navolging van Petrus die zijn verloochening beweende, en een nieuw begin maakt door met begrijpelijke huiver zijn liefde te belijden voor Christus: "U weet dat ik van U houd!" (Joh 21,15-17). Zij doet dit samen met Paulus die de Heer ontmoette op de weg naar Damascus en als door de bliksem werd getroffen: "Voor mij is leven Christus en sterven winst" (Fil 1,21).

Tweeduizend jaar na deze gebeurtenissen beleeft de Kerk ze opnieuw, alsof ze vandaag waren gebeurd. Kijkend naar het gelaat van Christus, beschouwt de bruid haar kostbare schat en haar vreugde. ‘Dulcis Iesus memoria, dans vera cordis gaudia’: Hoe zoet is het te denken aan Jezus, de bron van de ware vreugde van het hart! Versterkt door deze ervaring gaat de Kerk thans weer op weg om bij het aanbreken van het derde millennium Christus aan de wereld te verkondigen: Hij "is dezelfde, gisteren, vandaag en tot in eeuwigheid" (Heb 13,8).

 

III Weer bij Christus beginnen

29. "Ik ben met jullie, alle dagen, tot aan de voleinding van de wereld" (Mt 28,20). Met deze zekerheid, dierbare broeders en zusters, heeft de Kerk tweeduizend jaar geleefd; deze zekerheid is in ons hart vernieuwd door de viering van het Jubileum. Aan die zekerheid moeten we een nieuw elan voor ons leven als christen ontlenen, en er de krachtbron van maken voor de weg van ons geloof. In het besef dat de verrezen Heer onder ons aanwezig is stellen wij ons dezelfde vraag als meteen na zijn Pinkstertoespraak in Jeruzalem aan Petrus werd gesteld: "Wat moeten wij doen?" (Hnd 2,37).

Wij stellen die vraag met een vertrouwvol optimisme, maar zonder de problemen te onderschatten waarmee we te maken hebben. We koesteren zeker niet de naïeve verwachting dat wij bij onze confrontatie met de grote uitdagingen van onze tijd een of andere toverformule zullen vinden. Neen, we zullen niet door een formule maar door een Persoon gered worden, en de zekerheid die Hij ons biedt is: "Ik ben met jullie!"

Vandaar dat het er niet om gaat een nieuw ‘programma’ uit te denken. Het programma is er al: het bestaat al van oudsher en is te vinden in het evangelie en in de levende Traditie. Uiteindelijk is de kern ervan in Christus zelf gelegen, die gekend, bemind en nagevolgd moet worden zodat wij in Hem het leven van de Drie-ene God mogen leven, en met Hem de geschiedenis omvormen tot haar voltooiing in het hemelse Jeruzalem. Dit programma is niet onderhevig aan de wisselingen van tijden en culturen, ook al houdt het rekening met tijd en cultuur om tot een oprechte dialoog en doeltreffende communicatie te komen. Dit programma van alle tijden is ons programma voor het derde millennium.

Maar het moet vertaald worden in pastorale richtlijnen die passen bij de omstandigheden van iedere gemeenschap. Het Jubileum bood ons de uitzonderlijke gelegenheid om gedurende een aantal jaren een voor de gehele Kerk gemeenschappelijke weg te gaan, een catechetische weg die de Drie-eenheid als thema had en vergezeld ging van concrete pastorale initiatieven die het Jubileum tot een vruchtbaar gebeuren moesten maken. Ik ben dankbaar voor de wijze waarop in brede kring oprecht gereageerd is op hetgeen ik in mijn apostolische Brief Tertio millennio adveniente voorstelde. Nu echter hebben we niet meer te maken met een onmiddellijk doel, maar met het bredere en veeleisender perspectief van normale pastorale arbeid. Binnen zijn algemeen geldende en noodzakelijke beperkingen moet het programma van het evangelie in het verhaal van iedere plaatselijke Kerk blijven wortel schieten, zoals het steeds deed. Alleen in de plaatselijke Kerken kunnen de concrete elementen van een pastoraal plan in detail worden vastgesteld – doel en methodes, vorming en toerusting van de betrokkenen, het vinden van de noodzakelijke middelen –, waarmee het mogelijk wordt dat de verkondiging van Christus de mensen bereikt, dat gemeenschap gevormd wordt en dat daardoor de evangelische waarden diepgaand de samenleving en cultuur gaan beïnvloeden.

Ik spoor daarom de herders van de particuliere Kerken dringend aan om met de hulp van alle delen van het volk van God vertrouwvol aan te geven welke stappen moeten worden gezet op de weg die voor ons ligt, en daarbij de keuze van iedere diocesane gemeenschap af te stemmen op die van de Kerken eromheen en van de universele Kerk.

Deze onderlinge afstemming zal ongetwijfeld vergemakkelijkt worden doordat tegenwoordig de bisschoppen regelmatig in Bisschoppenconferenties en Synodes met elkaar samenwerken. Was dat ook niet de betekenis van de Bisschoppensynodes per werelddeel die een voorbereiding waren op het Jubileum en belangrijke richtlijnen ontwierpen voor de hedendaagse verkondiging van het evangelie in zo uiteenlopende situaties en culturen? Deze rijke schat aan inzichten mag niet verloren gaan, maar moet concreet gemaakt worden.

Voor ons ligt dus de taak om de pastoraal een nieuwe impuls te geven – een taak waar wij allen bij zijn betrokken. Ter oriëntering en bemoediging voor iedereen wil ik een aantal pastorale prioriteiten aangeven die naar mijn mening uit de ervaring van het grote Jubileum naar voren zijn gekomen.

Heiligheid

30. Allereerst aarzel ik niet te zeggen dat alle pastorale initiatieven in het perspectief moeten staan van heiligheid. Was dit niet de uiteindelijke bedoeling van de Jubileumaflaat, als een speciale genade die door Christus werd aangeboden zodat het leven van iedere gedoopte gezuiverd en geheel hernieuwd kon worden?

Van harte hoop ik dat velen van de deelnemers aan het Jubileum geprofiteerd hebben van deze genade, in het volledig besef van wat deze van hen vroeg. Nu het Jubileum achter de rug is gaat het gewone leven weer beginnen, maar we weten dat de pastoraal meer dan ooit tevoren de taak heeft om heiligheid voor te houden.

Daarom moeten we weer de volle praktische betekenis ontdekken van hoofdstuk 5 van de dogmatische Constitutie over de Kerk Lumen gentium die gaat over "de algemene roeping tot heiligheid". Niet om de leer over de Kerk te versieren met een soort van spirituele laklaag legden de Concilievaders zo een grote nadruk hierop, maar om de roeping tot heiligheid te maken tot een intrinsiek en wezenlijk aspect van hetgeen zij over de Kerk leerden. De wederontdekking van de Kerk als "mysterie", of als "het verenigde volk dat deel heeft aan de eenheid van Vader, Zoon en heilige Geest"15 moest noodzakelijkerwijze leiden tot een herontdekking van de "heiligheid" van de Kerk; heiligheid in de fundamentele betekenis van toebehorend aan Hem die bij uitstek de Heilige is, de "drievoudig" Heilige (vgl. Js 6,3). Belijden dat de Kerk heilig is, betekent haar gelaat laten zien als bruid van Christus voor wie Hij zichzelf wegschonk om haar te heiligen (vgl. Ef 5,25-26). Dit is om zo te zeggen de objectieve gave van heiligheid die aan iedere gedoopte wordt aangeboden.

Maar hetgeen wordt geschonken wordt dan weer tot een opdracht die het hele leven van de christen gestalte moet geven: "Dit is de wil van God: dat u zich heiligt" (1Tes 4,3). Deze plicht geldt niet slechts voor een bepaald aantal christenen: "Alle christengelovigen, tot welke stand of staat zij ook behoren, zijn geroepen tot de volheid van het christelijk leven en de volmaaktheid van de liefde."16

31. Op het eerste gezicht lijkt het weinig efficiënt deze elementaire waarheid tot fundament te maken voor de pastorale planning waarmee we ons bij het begin van het nieuwe millennium bezig moeten houden. Kan heiligheid ooit wel ‘geprogrammeerd’ worden? Wat kan wel de betekenis zijn van het woord ‘heiligheid’ als het over een pastoraal plan gaat?

Wanneer men een pastoraal plan ontwerpt en dit onder het teken van heiligheid stelt, is dat in feite een keuze met grote consequenties. Aangezien het doopsel door inlijving in Christus en inwoning van zijn Geest werkelijk toegang geeft tot de heiligheid van God, houdt een dergelijke keuze de overtuiging in dat ze niet te rijmen valt met een door minimalistische moraal en oppervlakkige godsdienstigheid gekenmerkt middelmatig leven. Wanneer aan de catechumenen gevraagd wordt "wilt u het doopsel ontvangen?" betekent dit tegelijk dat hun gevraagd wordt "wilt u heilig worden?" Het betekent hen confronteren met het radicale karakter van de Bergrede: "jullie zullen dus onverdeeld goed zijn, zoals jullie hemelse Vader onverdeeld goed is" (Mt 5,48).

Zoals het Concilie zelf verklaarde, moet dit ideaal van volmaaktheid niet verkeerd worden verstaan, als zou het een uitzonderlijk soort leven veronderstellen waartoe alleen maar enkele bijzondere ‘heiligheidshelden’ in staat zouden zijn. Er zijn vele wegen van heiligheid en ze hangen af van ieders persoonlijke roeping. Ik dank de Heer dat Hij mij in deze jaren in staat heeft gesteld een groot aantal christenen zalig en heilig te verklaren; onder hen vele leken die in de meest alledaagse levensomstandigheden heilig zijn geworden. Het is nu tijd om opnieuw met kracht aan iedereen deze hoge maatstaf van gewoon christelijk leven voor te houden: heel het leven van de christelijke gemeenschap en de christelijke gezinnen moet daarheen leiden. Het is echter duidelijk dat ieder een eigen weg naar heiligheid moet gaan en dat daarvoor een aangepaste ‘heiligheids-pedagogiek’ gevraagd wordt die zich werkelijk weet aan te passen aan wat de individuen beweegt. Ze zal de aan allen geboden hulpmiddelen moeten inpassen in de traditionele vormen van hulp aan individuen en groepen, en ook in de meer moderne vormen van ondersteuning die geboden wordt in door de Kerk erkende verenigingen en bewegingen.

Gebed

32. Deze heiligheids-pedagogiek vraagt bovenal een christelijk leven dat zich onderscheidt in de vaardigheid om te bidden. Het Jubileumjaar was een jaar van intens persoonlijk en gemeenschappelijk gebed. Maar we weten heel wel dat bidden niet iets vanzelfsprekends is. We moeten leren bidden: als het ware deze vaardigheid steeds weer opnieuw leren van de goddelijke Meester zelf zoals de eerste leerlingen: "Heer, leer ons bidden" (Lc 11,1). In het gebed ontwikkelt zich dat gesprek waarin Christus ons tot zijn intieme vrienden maakt: "Laten we met elkaar verbonden blijven, jullie en Ik" (Joh 15,4). Deze wederkerigheid is de eigenlijke kern, de ziel van het christelijk leven, en de voorwaarde voor alle werkelijk pastoraal leven. De heilige Geest brengt deze wederkerigheid in ons tot stand, en door haar wordt ons door Christus en in Christus toegang verleend tot de aanschouwing van het gelaat van de Vader. De trinitaire vorm van het christelijk gebed leren kennen en ten volle hiernaar leven, allereerst in de liturgie die bron is en hoogtepunt van het leven van de Kerk,17 maar ook uit persoonlijke ervaring, is het geheim van werkelijk vitaal christendom, dat geen reden heeft tot angst voor de toekomst omdat het steeds weer terugkeert naar de bronnen en daarin nieuw leven vindt.

33. Is het niet een van de ‘tekenen van de tijd’ dat in de huidige wereld, ondanks de wijd verspreide secularisatie, er een wijd verspreide vraag is naar spiritualiteit, een vraag die voor een groot deel tot uiting komt in een nieuw verlangen naar gebed? Andere godsdiensten, die nu ruim vertegenwoordigd zijn in oude christelijke landen, gaan op dit verlangen in, en doen dat op soms zeer aansprekende wijze. Maar wij die de genade hebben ontvangen in Christus te geloven, die de Vader doet kennen en Heiland is van de wereld, wij hebben de plicht te tonen tot welke diepten de verhouding met Christus kan voeren.

De grote mystieke traditie van de Kerk zowel in het Oosten als in het Westen heeft ons hieromtrent veel te zeggen. We zien daarin hoe gebed als een ware liefdesdialoog tot zo grote hoogte kan opklimmen dat de mens geheel van de goddelijke Beminde vervuld geraakt, wordt bewogen door de aanraking van de Geest, als kind Gods geborgen blijft in het hart van de Vader. Dit is de doorleefde ervaring van Christus’ belofte: "wie Mij liefheeft zal ondervinden hoe de Vader hém liefheeft, en ook Ik zal hem liefhebben en Mij aan hem openbaren" (Joh 14,21). Het gaat hier om een tocht die geheel door genade ondersteund wordt, maar niettemin een intense spirituele inzet vraagt, en die niet verschoond blijft van pijnlijke zuiveringen (de ‘donkere nacht’). Maar langs verschillende wegen leidt de tocht tot de onuitsprekelijke vreugde die de mystici ervoeren als een ‘vereniging met de bruidegom’. Hoe zouden we, onder vele lichtende voorbeelden, niet denken aan de leer van Johannes van het Kruis en Teresia van Avila?

Ja, dierbare broeders en zusters, onze christelijke gemeenschappen moeten worden tot echte ‘scholen van gebed’, waar de ontmoeting met Christus niet enkel tot uiting komt in het vragen om hulp, maar ook in dankzegging, lofprijzing, aanbidding, beschouwing, luisterende en vurige godsvrucht, tot het hart werkelijk in liefde ‘ontbrandt’. Intens gebed, inderdaad, maar dat ons niet afleidt van onze betrokkenheid bij wat er gebeurt: als wij ons hart openen voor de liefde van God, gaat het ook open voor de liefde jegens onze broeders en zusters, en wordt het ons mogelijk om het gebeuren op aarde vorm te geven volgens Gods bedoeling.18

34. Van christenen die de genade ontvingen van een speciale roeping tot het godgewijd leven wordt natuurlijk gevraagd bijzonder te bidden: hun roeping bereidt hen uiteraard meer voor op beschouwend gebed, en het is van belang dat zij zich daaraan met grote zorg wijden. Maar het zou een vergissing zijn te denken dat gewone christenen genoegen zouden kunnen nemen met oppervlakkig gebed dat hun leven niet kan vullen. Met name wanneer de wereld, zoals dat tegenwoordig vaak gebeurt, hun geloof aan vele beproevingen blootstelt, zouden ze als christen niet alleen middelmatig zijn, maar ook ‘in gevaar’ verkeren. Ze zouden het sluipend gevaar lopen hun geloof geleidelijk ondermijnd te zien worden, en tenslotte misschien zwichten voor de verlokkingen van ‘allerlei surrogaat’, door op alternatieve godsdienstige ideeën in te gaan en zich zelfs te lenen voor vreemdsoortig bijgeloof.

Het is daarom van wezenlijk belang dat leren bidden in zekere zin een kernpunt wordt van alle pastorale planning. Zelf heb ik besloten de komende catechesen op woensdag te wijden aan gedachten over de psalmen, te beginnen met de psalmen van het morgengebed, waarmee het officiële gebed van de Kerk ons uitnodigt onze dag te heiligen en te laten leiden. Hoe nuttig zou het zijn als men niet alleen in communauteiten van religieuzen maar ook in parochies ervoor zou zorgen dat alles doortrokken werd door een sfeer van gebed. Met de vereiste discretie zou men daartoe aan de volkse vroomheid haar eigen plaats moeten geven, en de mensen met name met liturgisch gebed moeten vertrouwd maken. Misschien zou het best denkbaar zijn, meer dan we gewoonlijk veronderstellen, dat de christelijke gemeenschap op een doorsnee dag de vele vormen van pastoraal en getuigenis in de wereld weet te combineren met de viering van de eucharistie en zelfs met het bidden van Lauden en Vespers. De ervaring van veel geëngageerde groepen van christenen waarvan ook veel leken deel uitmaken, is er een bewijs van.

De eucharistieviering op zondag

35. Het is daarom duidelijk dat onze meeste aandacht moet uitgaan naar de liturgie, "het hoogtepunt waarnaar de Kerk in al haar handelen streeft en tevens de bron waaruit al haar kracht voortvloeit".19 In de twintigste eeuw heeft, met name na het Concilie, de wijze waarop de christelijke gemeenschap de sacramenten, en met name de eucharistie, viert een sterke ontwikkeling doorgemaakt. Men moet in deze richting verder gaan en een bijzondere nadruk leggen op de zondagse eucharistieviering en op de zondag zelf, die beleefd wordt als een speciale dag van het geloof, als de dag van de verrezen Heer en de gave van de heilige Geest, als wekelijkse Paasdag.20 Tweeduizend jaar lang werd het ritme van de christelijke tijd bepaald door de gedachtenis aan die "eerste dag van de week" (Mc 16,2.9; Lc 24,1; Joh 20,1), toen de verrezen Christus aan de apostelen de gave schonk van vrede en heilige Geest (vgl. Joh 29,19-23). De waarheid van Christus’ verrijzenis is het oergegeven waarop het christelijk geloof berust (vgl. 1Kor 15,14), een gebeuren dat in het mysterie van de tijd centraal staat en een voorafbeelding is van de laatste dag waarop Christus wederkomt in heerlijkheid. Wij weten niet wat ons in het nieuwe millennium te wachten staat, maar wij weten dat het geborgen is in de handen van Christus, "Koning der koningen en Heer der heren" (Apk 19,16); en juist door zijn Pasen niet slechts eenmaal per jaar maar iedere zondag te vieren, zal de Kerk "aan iedere generatie laten zien wat de spil van de geschiedenis is, waaraan het mysterie van de oorsprong en dat van de uiteindelijke bestemming van de wereld verbonden zijn".21

36. In vervolg op Dies Domini wil ik daarom benadrukken dat de deelname aan de eucharistieviering voor iedere gedoopte werkelijk het hart van de zondag is. Het is een fundamentele plicht, die men niet alleen maar moet vervullen om aan een voorschrift te voldoen, maar omdat dit voor een werkelijk bewust en consequent christelijk leven een levensbehoefte is. Wij beginnen thans aan een millennium waarin men reeds de tekenen ziet van een ingrijpende dooreenmenging van culturen en godsdiensten, zelfs in landen die eeuwenlang christelijk waren. In veel gebieden zijn of worden de christenen een "kleine kudde" (Lc 12,32). Daardoor staan ze voor de uitdaging om op vaak eenzame posten en in moeilijke omstandigheden des te krachtiger te getuigen van hetgeen voor hen bijzonder kenmerkend is. Een van die elementen is de plicht om iedere zondag deel te nemen aan de eucharistieviering. De zondagse eucharistieviering die iedere week de christenen als Gods gezin verzamelt rond de tafel van het Woord en het Brood des levens, is ook het meest natuurlijk tegengif tegen vervreemding van elkaar. Het is de plaats bij uitstek waar onderlinge eenheid steeds opnieuw verkondigd en gevoed wordt. Juist door de gezamenlijke viering van de eucharistie wordt de dag des Heren ook tot de dag van de Kerk22 die aldus doeltreffend haar rol als sacrament van de eenheid kan vervullen.

Het sacrament van de verzoening

37. Ik vraag ook om in het dagelijkse onderricht van de christelijke gemeenschap met nieuwe pastorale moed overtuigd en effectief de praktijk aan te bevelen van het sacrament van de verzoening. U zult zich herinneren dat ik in 1984 dit onderwerp heb besproken in de postsynodale apostolische Exhortatie Reconciliatio et paenitentia, waarin de resultaten werden samengevat van de aan deze kwestie gewijde Vergadering van de Bisschoppensynode. Ik vroeg toen al het mogelijke te doen om het hoofd te bieden aan de crisis in het ‘zondebesef’ zoals deze in de huidige cultuur zichtbaar is.23 Maar met nog meer nadruk vroeg ik dat men Christus weer zou ontdekken als mysterium pietatis, als degene in wie God ons zijn meelevend hart toont en ons volledig met Hem verzoent. Juist dit gelaat van Christus moet weer worden ontdekt door het sacrament van de boete dat "voor de christen de gewone weg is om vergeving en kwijtschelding te verkrijgen van de ernstige zonden die hij na het doopsel heeft bedreven".24 Toen de synode het vraagstuk besprak, was de crisis van het sacrament, met name in sommige delen van de wereld, voor iedereen overduidelijk. De oorzaken van die crisis zijn in de sindsdien verlopen tijdspanne niet verdwenen. Maar het Jubileumjaar, waarin bijzonder opvallend was hoe mensen terugkeerden tot het sacrament van de boete, heeft een bemoedigende boodschap afgegeven waaraan men niet voorbij mag gaan: velen, waaronder veel jonge mensen, hebben met vrucht dit sacrament ontvangen, en daarom moeten de pastores waarschijnlijk met meer vertrouwen, fantasie en volharding erover spreken en het bij de mensen aanbevelen. Dierbare broeders in het priesterschap wij mogen niet berusten in voorbijgaande crises! De gaven van de Heer – en daaronder behoren de sacramenten tot de meest kostbare – komen van Hem die het mensenhart kent en Heer is van de geschiedenis.

De voorrang van de genade

38. In de planning die voor ons staat zetten wij ons met groter vertrouwen in voor een pastoraal waarin persoonlijk en gemeenschappelijk gebed de toekomende plaats krijgen; daarbij moeten we eraan denken dat in de christelijke visie de voorrang van de genade een wezenlijk beginsel is. Bij iedere spirituele weg, bij alle pastorale arbeid, dreigt steeds de bekoring te denken dat de resultaten afhankelijk zijn van ons talent om te handelen en plannen te ontwerpen. Natuurlijk vraagt God dat wij werkelijk meewerken met zijn genade, en nodigt ons daarom uit alle vermogens van verstand en energie in te zetten om de zaak van het Koninkrijk te dienen. Maar wee ons, als we vergeten dat "zonder Christus wij tot niets in staat zijn" (vgl. Joh 15,5).

Gebed doet ons vanuit die waarheid leven en herinnert ons voortdurend aan het primaat van Christus en, daarmee verbonden, aan het primaat van inwendig en heilig leven. Is het verwonderlijk dat bij verwaarlozing van dit beginsel pastorale programma’s op niets uitlopen en wij er een ontmoedigend gevoel van frustratie aan overhouden? We delen dan in de ervaring van de leerlingen in het evangelieverhaal over de wonderbare visvangst: "de hele nacht hebben we ons al afgetobd zonder iets te vangen" (Lc 5,5). Dit is het moment van geloof, van gebed, van spreken met God, om het hart te openen voor de vloed van genade en om het woord van Christus met alle kracht in ons te laten doordringen: Duc in altum! Het was Petrus die bij die gelegenheid het woord sprak van geloof: "als U het zegt zal ik de netten uitwerpen" (t.a.p.). Sta aan de opvolger van Petrus toe dat hij bij het begin van het nieuwe millennium heel de Kerk tot deze akte van geloof oproept, die vorm krijgt in een hernieuwde toeleg op gebed.

Luisteren naar het woord

39. Het lijdt geen twijfel dat het primaat van heiligheid en gebed ondenkbaar is als men niet opnieuw gaat luisteren naar het woord van God. Het Concilie heeft met nadruk gewezen op de uiterst belangrijke rol van het woord Gods in het leven van de Kerk; zeer zeker zijn er sindsdien belangrijke vorderingen gemaakt bij het ijverig luisteren naar en aandachtig lezen van de heilige Schrift. In het openbaar gebed van de Kerk bekleedt de Schrift de haar toekomende ereplaats. Individuele gelovigen en gemeenschappen maken tegenwoordig veel gebruik van de bijbel, en onder de leken wijden velen zich aan de Schrift met de kostbare hulp van studies op het gebied van theologie en bijbel. Maar vooral voor het werk van evangelisatie en catechese gaat juist van de aandacht voor Gods woord een nieuwe impuls uit. Dierbare broeders en zusters, deze ontwikkeling moet versterkt en verdiept worden, mede door ervoor te zorgen dat elk gezin in het bezit is van een bijbel. In het bijzonder moet het luisteren naar Gods woord een vitale ontmoeting worden in de oude en nog steeds van kracht zijnde traditie van de lectio divina, waardoor men in de bijbeltekst het levend woord kan vinden dat ons vragen stelt en richting wijst, en dat vorm geeft aan ons leven.

Verkondiging van het woord

40. Ons voeden met het woord om ‘bedienaren van het woord’ te zijn bij onze evangelisatie-arbeid: voorwaar is dat een eerste eis voor de Kerk bij het begin van het nieuwe millennium. Ook in landen waar in lang vervlogen tijden het evangelie verkondigd werd bestaat er geen ‘christelijke samenleving’ meer waarvoor de waarden van het evangelie expliciet als norm dienden, ondanks alle zwakheden die het menselijk leven altijd hebben gekenmerkt. Gezien de ‘globalisering’ en de nieuwe ondoorzichtelijke verstrengeling van volkeren en culturen moeten wij in onze tijd een situatie onder ogen durven zien die steeds gevarieerder en veeleisender aan het worden is. In de loop der jaren heb ik vaak opgeroepen tot de nieuwe evangelisatie. Dat doe ik thans weer; daarbij wil ik met name benadrukken dat we het elan uit het begin weer moeten terugwinnen, en dat wij vervuld moeten worden van de vurigheid waarmee de apostelen na Pinksteren het evangelie verkondigden. In ons moet weer de brandende overtuiging oplaaien van Paulus die uitriep: "wee mij als ik het evangelie niet verkondigde" (1Kor 9,16).

Deze hartstochtelijke bewogenheid zal zeker in de Kerk een nieuwe missie-ijver doen ontwaken, die zich niet mag beperken tot een groep ‘specialisten’, maar waarvoor alle leden van het volk van God zich verantwoordelijk moeten weten. Als iemand werkelijk in contact komt met Christus kan hij of zij dit niet voor zich houden, maar moet het verkondigen. Er wordt een nieuw apostolisch elan gevraagd dat beleefd wordt als de dagelijkse inzet van christelijke gemeenschappen en groepen. Dit moet echter gebeuren met het respect dat we verschuldigd zijn aan de verschillende wegen die mensen gaan en met aandacht voor de verscheidenheid aan culturen waar de christelijke boodschap moet worden gebracht, zodat de eigen waarden van ieder volk niet ontkend, maar gezuiverd en tot volheid gebracht worden.

In het derde millennium zal het christendom steeds grondiger moeten ingaan op deze noodzakelijke inculturatie. Volkomen trouw blijvend aan zichzelf en onwankelbaar vasthoudend aan de verkondiging van het evangelie en de traditie van de Kerk, zal het christendom ook de verschillende facetten weerspiegelen van de culturen en volkeren waar het aanvaard wordt en wortel schiet. Tijdens dit Jubileumjaar hebben wij bijzonder genoten van de schoonheid van het veelvormig gelaat van de Kerk. Dit is misschien niet meer dan een begin, een grove schets van de toekomst die de Geest van God ons bereidt.

Met vertrouwen moet Christus aan alle mensen worden voorgehouden. We zullen ons richten tot volwassenen, gezinnen, jonge mensen, kinderen, en daarbij de meest radicale eisen van de evangelieboodschap niet verheimelijken; maar we zullen rekening houden met ieders persoonlijk aanvoelen en spreken, naar het voorbeeld van Paulus die verklaarde: "Ik ben alles wat je maar wilt om in elk geval een paar mensen te redden" (1Kor 9,22). Bij het doen van deze aanbevelingen denk ik met name aan de pastorale zorg voor jonge mensen. Zoals ik hierboven al zei, is tijdens het Jubileum de edelmoedige beschikbaarheid juist van de jonge mensen gebleken. We moeten die hartverwarmende reactie leren verstaan door in dat enthousiasme te investeren als in een nieuw talent (vgl. Mt 25,15) dat de Heer ons heeft toevertrouwd, zodat het rijke vruchten kan dragen.

41. Moge het lichtend voorbeeld van de vele geloofsgetuigen waaraan we tijdens het Jubileum hebben herinnerd, ons ondersteunen en leiden bij deze vertrouwvolle, ondernemende en creatieve missie-ijver. De martelaren zijn voor de Kerk steeds het zaad van leven geweest. Sanguis martyrum semen christianorum:25 dit bekende door Tertullianus geformuleerde adagium is tijdens alle beproevingen in de geschiedenis waar gebleken. Zal het dat ook niet zijn in het begin van de eeuw en het millennium die nu beginnen? Misschien zijn we te zeer gewend om aan martelaren te denken als aan ver van ons afstaande figuren, een soort mensen uit het verleden die voornamelijk thuis horen in de eerste eeuwen van de christelijke tijdrekening. De gedachtenisviering tijdens het Jubileum heeft ons verrassende perspectieven geboden en ons getoond dat onze eigen tijd bijzonder rijk is aan getuigen die op verschillende wijzen het evangelie wisten te beleven temidden van vijandschap en vervolging, vaak door het geven van het hoogste getuigenis, dat van hun bloed. In hen is het woord van God in vruchtbare aarde gevallen en heeft het honderdvoudige vrucht opgebracht (vgl. Mt 13,8.23). Door hun voorbeeld hebben zij ons de weg naar de toekomst getoond en, bij wijze van spreken, geëffend. Het enige wat ons nog staat te doen is in hun voetstappen treden.

 

IV Getuigen van de liefde

42. "Daaraan zal iedereen kunnen zien dat jullie leerlingen van Mij zijn: als jullie onder elkaar de liefde bewaren" (Joh 13,35). Als we werkelijk het gelaat van Christus hebben beschouwd, dierbare broeders en zusters, kan het niet anders of onze pastorale programma’s zullen geïnspireerd worden door het "nieuwe gebod" dat Hij ons gaf: "Met de liefde die Ik jullie heb toegedragen, moeten jullie ook elkaar liefhebben" (Joh 13,34).

Het andere grote gebied waarvoor een vastberaden inzet en programmering gevraagd worden ten behoeve van de universele Kerk en de particuliere Kerken is het gebied van de communio (koinonia) dat de essentie zelf belichaamt en openbaart van het mysterie van de Kerk. Communio is de vrucht en het zichtbaar worden van de liefde die uit het hart van de eeuwige Vader ontspringt, en over ons wordt uitgestort door de Geest die Jezus ons schenkt (vgl. Rom 5,5) om ons allen "één van hart en ziel" te maken (Hnd 4,32). Door deze liefdeseenheid tot stand te brengen openbaart de Kerk zich als "sacrament", als "het teken en het instrument van de innige vereniging met God en van de eenheid van heel het menselijk geslacht".26

De woorden van de Heer hierover zijn voor ons te duidelijk om hun betekenis te onderschatten. Veel dingen zijn noodzakelijk voor de trektocht van de Kerk door de geschiedenis, zeer zeker ook in de komende eeuw; maar zonder de liefde (agape) dient alles nergens toe. Opnieuw herinnert de apostel Paulus in de hymne aan de liefde eraan: ook al spreken we de taal van mensen en engelen en hebben we een geloof dat "bergen zou kunnen verzetten", "zonder liefde ben ik niets" (vgl. 1Kor 13,2). Liefde is werkelijk het ‘hart’ van de kerk, hetgeen Theresia van Lisieux zo goed begreep; juist omdat zij een deskundige was in de scientia amoris, heb ik haar Kerklerares gemaakt: "Ik begreep dat de Kerk een Hart had en dat dit Hart brandde van liefde. Ik begreep dat alleen Liefde de leden van de Kerk tot handelen bracht ... Ik begreep dat Liefde alle roepingen in zich sloot, dat Liefde alles was."27

Een spiritualiteit van communio

43. Willen wij trouw zijn aan Gods plan en ingaan op de diepste verlangens van de wereld, dan is de grote uitdaging waarvoor wij in het voor ons liggende millennium staan, de Kerk te maken tot huis en leerschool van de communio. Maar wat betekent dit praktisch? Ook hier zou wellicht onze eerste gedachte zijn wat voor actie wij zouden dienen te ondernemen, maar het zou niet goed zijn om aan een dergelijke opwelling gehoor te geven. Alvorens praktische plannen te maken, dienen we een communio-spiritualiteit te bevorderen en deze te maken tot het leidend beginsel voor de vorming, overal waar mens en christen wordt geschoold, waar bedienaren van het altaar, godgewijden en pastorale werkers worden opgeleid, waar gezinnen en gemeenschappen worden opgebouwd. Een communio-spiritualiteit betekent in de eerste plaats de blik van het hart richten op het in ons wonende mysterie van de Drie-eenheid; we moeten ook de afglans hiervan kunnen zien op het gelaat van onze broeders en zusters om ons heen. Een communio-spiritualiteit betekent ook dat we in staat zijn onze broeders en zusters in het geloof binnen de diepe eenheid van het Mystieke Lichaam te zien als ‘mensen die deel van mij uitmaken’. Daardoor kunnen wij hun vreugde en verdriet delen, hun verlangens aanvoelen, in hun noden voorzien, hun een diepe en oprechte vriendschap bieden. Een communio-spiritualiteit houdt ook in dat we het positieve in anderen weten te zien en het als een gave Gods weten te aanvaarden en te waarderen, niet alleen als een gave voor de direct erbij betrokken broeder of zuster, maar ook als ‘een gave voor mij’. Tenslotte, een communio-spiritualiteit betekent dat we ‘ruimte’ weten te maken voor onze broeders en zusters, "elkaars lasten helpen dragen" (Gal 6,2), en weerstand bieden aan de bekoringen van zelfzucht die ons voortdurend belagen en die leiden tot rivaliteit, carrièrejacht, achterdocht en jaloezie. Maken we ons geen illusies: tenzij we dit geestelijk pad volgen, zullen uitwendige structuren voor de communio weinig zin hebben. Ze zouden zielloze werktuigen worden, eerder de communio ‘verhullend’ dan dat ze tekenen zouden zijn van communio en haar zouden bevorderen.

44. Derhalve zullen we in de nieuwe eeuw meer dan ooit bijzondere aandacht moeten besteden aan verdere ontwikkeling van plaatsen en structuren die, volgens de grote richtlijnen van het Tweede Vaticaans Concilie, dienen om de communio te ondersteunen en te waarborgen. Denken we op de eerste plaats aan zulke specifieke diensten voor de communio als het Petrusambt en de daarmee nauw verbonden bisschoppelijke collegialiteit. Het fundament en bestaan van deze werkelijkheden berusten op Christus’ eigen plan voor de Kerk,28 maar moeten juist daarom voortdurend kritisch gevolgd worden, opdat gegarandeerd blijft dat ze zich door het evangelie werkelijk blijvend laten inspireren.

Sinds het Tweede Vaticaans Concilie is er veel gedaan aan de hervorming van de Romeinse Curie, de organisatie van Synodes en het functioneren van de Bisschoppenconferenties. Maar er blijft ongetwijfeld nog veel meer te doen, wil men de mogelijkheden van deze communio-instrumenten volledig benutten. Ze zijn immers in deze tijd bijzonder geschikt om zo nodig vlug en doeltreffend te kunnen reageren bij onderwerpen waarmee de Kerk in deze snel veranderende tijden geconfronteerd wordt.

45. De terreinen van de communio moeten iedere dag meer ontgonnen en uitgebreid worden, en wel op ieder niveau van de structuren binnen de Kerk. Daar moeten de betrekkingen tussen bisschoppen, priesters en diakens, tussen pastores en het gehele volk van God, tussen geestelijkheid en religieuzen, tussen genootschappen en kerkelijke bewegingen duidelijk in het teken staan van communio. Daartoe moet van de in het Kerkelijk Wetboek voorziene inspraakorganen zoals priesterraad en pastorale raad steeds beter gebruik gemaakt worden. Bij deze raden gelden niet de regels van de parlementaire democratie, omdat ze meer een raadgevend dan een beslissend karakter hebben29; toch zijn ze daarom niet minder belangrijk. De theologie en spiritualiteit van de communio bevorderen een vruchtbare dialoog tussen pastores en gelovigen: enerzijds houden ze hen a priori op alle wezenlijke punten verenigd, anderzijds brengen ze hen tot een weloverwogen overeenstemming in zaken waarover valt te discussiëren.

Daartoe moeten we ons houden aan de oude pastorale wijsheid, die de pastores, zonder iets af te doen aan hun gezag, aanspoorde meer te luisteren naar het gehele volk van God. Heel tekenend is de raad die Benedictus gaf aan de abt van een klooster om zelfs de jongste leden van de communauteit te raadplegen: "Vaak geeft de Heer aan een jonger iemand in wat het beste is."30 En Paulinus van Nola zegt met nadruk: "laten we aan de lippen hangen van alle gelovigen, want in ieder van hen ademt de Geest van God."31

De wijsheid van het recht is, door het opstellen van nauwkeurige regels voor de inspraak, een bewijs voor de hiërarchische structuur van de Kerk, en voorkomt alle bekoringen van willekeur en ongerechtvaardigde aanspraken; anderzijds geeft de spiritualiteit van de communio aan het institutioneel geheel een ziel doordat ze opwekt tot een vertrouwen en openheid die geheel passen bij de waardigheid en verantwoordelijkheid van ieder lid van het volk van God.

De verscheidenheid aan roepingen

46. Een dergelijke visie op de communio is nauw verbonden met het vermogen van de christelijke gemeenschap om ruimte te scheppen voor alle Geestesgaven. De eenheid van de Kerk is geen eenvormigheid, maar een harmonisch samengaan van gewettigde verscheidenheden. Het is de werkelijkheid van de vele ledematen die tot een enkel lichaam verenigd zijn, het ene Lichaam van Christus (vgl. 1Kor 12,12). Daarom zal de Kerk van het derde millen-nium alle gedoopten en hen die het vormsel ontvingen, moeten aansporen om zich bewust te zijn van hun daadwerkelijke verantwoordelijkheid in het leven van de Kerk. Tezamen met het gewijde ambt kunnen andere, officieel ingestelde of enkel erkende, ambtsvormen vruchtbaar werk verrichten voor het welzijn van de gehele gemeenschap en haar tot steun zijn in haar velerlei behoeften: van catechese tot liturgie, van opvoeding en onderwijs tot charitatief werk in de meest ruime zin.

Natuurlijk moet men – vooral door vurig tot de Heer van de oogst te bidden (vgl. Mt 9,38) – zich edelmoedig inzetten voor het bevorderen van roepingen tot het priesterschap en het godgewijde leven. Dit is een zeer belangrijke kwestie voor het leven van de Kerk waar ter wereld ook. In sommige van oudsher christelijke landen is de situatie werkelijk dramatisch geworden, hetgeen te wijten is aan de veranderde sociale omstandigheden en de tanende religieuze belangstelling tengevolge van luxe-mentaliteit en secularisatie. Er moet dringend een uitgebreid plan ter bevordering van roepingen worden opgesteld dat gebaseerd is op persoonlijk contact, en dat parochies, onderwijsinstellingen en gezinnen betrekt bij het streven naar zorgvuldiger overdenking van datgene waarom het in het leven ten diepste gaat. Deze diepste waarden komen tot volle ontplooiing in het antwoord dat van eenieder op Gods roepstem gevraagd wordt, met name als deze roepstem met zich meebrengt dat men zichzelf en al zijn krachten wegschenkt omwille van het Koninkrijk.

In het verlengde hiervan zien we de betekenis van alle andere roepingen die hun oorsprong vinden in het nieuwe, bij het doopsel ontvangen, leven. Met name zal men meer en meer de specifieke roeping van de leek dienen te ontdekken, die geroepen zijn "het rijk van God te zoeken juist door de tijdelijke aangelegenheden te behartigen en volgens de wil van God te regelen",32 en ook "een eigen taak vervullen in de zending van het gehele volk van God in de Kerk en in de wereld ... wanneer zij zich wijden aan evangelisatie en heiliging van de mensen".33

In dezelfde lijn is een ander belangrijk facet van de communio het bevorderen van associaties in verschillende vorm, de meer traditionele even goed als de nieuwere kerkelijke bewegingen, waaraan de Kerk een vitaliteit ontleent die een gave is van God en een ware ‘lente van de Geest’. Natuurlijk moeten genootschappen en bewegingen hun werk binnen de universele Kerk en de particuliere Kerken in volledige harmonie verrichten, gehoorzamend aan de gezaghebbende aanwijzingen van de Herders. Maar de ernstige en uitdrukkelijke waarschuwing van de apostel geldt voor allen: "Blus de Geest niet uit, kleineer de profetische gaven niet, keur alles, behoud het goede" (1Tes 5,19-21).

47. In een tijd als de tegenwoordige moet ook bijzondere aandacht worden besteed aan de pastorale zorg voor het gezin, met name omdat dit fundamenteel instituut een wijd verspreide en diep ingrijpende crisis doormaakt. In de christelijke visie op het huwelijk maakt de relatie tussen man en vrouw – een wederzijdse, unieke en onverbrekelijke band – deel uit van Gods oorspronkelijk plan, dat in de loop van de geschiedenis verduisterd is geraakt door onze "verstoktheid van hart", maar dat Christus weer in zijn oorspronkelijke glans is komen herstellen door Gods wil "vanaf het begin" (Mt 19,8) te openbaren. Tot de waardigheid van sacrament verheven, is het huwelijk de uitdrukking van het "grote mysterie" van Christus’ liefde voor zijn bruid de Kerk (vgl. Ef 5,32).

Op dit punt kan de Kerk niet zwichten voor een bepaalde cultuur, ook niet als deze wijdverspreid is en zelfs een militant karakter heeft. Door een steeds betere vorming in de geest van het evangelie moet men er juist voor zorgen dat de christelijke gezinnen overtuigend de mogelijkheid aantonen een huwelijk te beleven dat volledig beantwoordt aan Gods plan en aan de ware behoeften van de menselijke persoon – de persoon van de echtelieden en die van de kinderen, die immers veel kwetsbaarder zijn. De gezinnen zelf moeten zich in toenemende mate bewust worden van de zorg waar kinderen recht op hebben, en in de Kerk en de samenleving een actieve rol spelen bij het opkomen voor hun rechten.

Oecumenische betrokkenheid

48. Wat te zeggen over de dringende opdracht, de communio te bevorderen op het gevoelige gebied van de oecumene? Helaas nemen we bij het begin van het nieuwe millennium de droeve erfenis van het verleden met ons mee. Tijdens het Jubileum zijn er wel enkele werkelijk ontroerende en profetische tekenen geweest, maar er moet nog een lange weg worden gegaan.

Wanneer wij onze blik op Christus richten, doet het grote Jubileum ons levendiger beseffen dat de Kerk mysterie van eenheid is. Wat wij in het Credo belijden: "ik geloof in de éne Kerk" berust uiteindelijk op Christus in wie de Kerk onverdeeld is (vgl. 1Kor 1,11-13). In de eenheid die een gave is van de Geest, is de Kerk als zijn Lichaam ondeelbaar. Het feit dat er verdeeldheid is onder de kinderen van de Kerk is in historisch perspectief het gevolg van menselijke zwakheid in de wijze waarop wij reageren op de gave die zonder ophouden van Christus, het Hoofd van zijn mystiek Lichaam, naar ons toekomt. Jezus heeft in de Bovenzaal gebeden: "dat ze allen één mogen zijn. Zoals U, Vader, in Mij bent en Ik in U, zo moeten zij in Ons zijn" (Joh 17,21). Dit is tegelijk openbaring en smeekgebed. Het openbaart ons de eenheid van Christus met de Vader als de oerbron van de eenheid der Kerk en als de gave die zij in Hem steeds zal ontvangen tot aan haar mysterievolle voltooiing aan het einde der tijden. Ondanks de menselijke beperkingen van haar leden wordt deze eenheid concreet belichaamd in de katholieke Kerk, en is zij in uiteenlopende mate werkzaam in alle elementen van heiligheid en waarheid die zich bevinden binnen andere kerken en kerkelijke gemeenschappen. Door deze elementen die de eigen gaven van de Kerk van Jezus Christus zijn, worden zij naar de volle eenheid gestuwd.34

Het gebed van Christus herinnert ons eraan dat wij deze gave moeten aanvaarden en steeds verder ontwikkelen. Het smekend ‘ut unum sint’ is tegelijk dwingende vermaning, steunende kracht, en heilzame berisping voor onze lauwheid en benauwdheid van hart. Niet op eigen kracht maar op het gebed van Jezus baseren wij onze hoop dat wij in de loop van de geschiedenis zullen kunnen komen tot volle en zichtbare communio met alle christenen.

In het perspectief van onze nieuwe pelgrimstocht, die na het Jubileum begint, zie ik met groot vertrouwen naar de Oosterse Kerken, en bid ik dat die uitwisseling van gaven, die voor de Kerk van het eerste millennium zo verrijkend was, weer volledig mag terugkeren. Moge de herinnering aan de tijd toen de Kerk nog met ‘beide longen’ ademde, voor de christenen van Oost en West een aansporing zijn om, met eerbiediging van de legitieme verscheidenheid, samen in eenheid van geloof op te trekken en elkaar te aanvaarden en ondersteunen als leden van het ene Lichaam van Christus.

Met een soortgelijke toeleg dient de oecumenische dialoog bevorderd te worden met onze broeders en zusters die behoren tot de Anglicaanse Gemeenschap en tot de kerkelijke gemeenschappen van de Reformatie. Met Gods hulp zullen het theologisch gesprek over wezenlijke punten van geloof en christelijke zedenleer, samenwerking op het gebied van de caritas, en bovenal de grote oecumene van heiligheid zeker vrucht dragen. Ondertussen zetten wij met vertrouwen onze tocht voort, verlangend uitziend naar het moment dat wij samen met alle volgelingen van Christus, geen enkele uitgezonderd, eenstemmig en van harte kunnen zingen: "Wat is het toch goed, wat is het heerlijk, om als broeders en zusters eendrachtig samen te wonen" (Ps 133,1).

Alles inzetten op liefde

49. Te beginnen bij de binnenkerkelijke communio staat menslievendheid uit haar wezen open voor universeel dienstbetoon en brengt ons ertoe ons in te zetten voor een actieve en concrete liefde voor iedere mens. Ook dit aspect moet duidelijk het leven van een christen, alle doen en laten van de Kerk, en haar pastorale planning kenmerken. Voor de eeuw en het millennium die nu aanvangen, moet duidelijk zichtbaar worden – en nog duidelijker dan tot dusverre naar te hopen is – tot welke graad van toewijding de christelijke gemeenschap in haar liefde voor de allerarmsten in staat is. Wanneer we werkelijk een nieuw begin gemaakt hebben, uitgaande van de beschouwing van Christus, moeten wij met name Hem leren zien in het gelaat van hen met wie Hij vereenzelvigd wilde worden: "Ik had honger en jullie hebben Me te eten gegeven, Ik had dorst en jullie hebben Me te drinken gegeven, Ik was vreemdeling en jullie hebben Me opgenomen. Ik was naakt en jullie hebben Me gekleed, Ik was ziek en jullie hebben naar Me omgezien, Ik zat in de gevangenis en jullie kwamen naar Me toe" (Mt 25,35-37). Deze tekst uit het evangelie is niet enkel een oproep tot naastenliefde: het is ook een stuk christologie, die een lichtstraal werpt op het mysterie van Christus. Voor de Kerk is deze tekst, evenzeer als de juiste leer, de toetssteen om te beoordelen of zij de trouwe bruid is van Christus.

We moeten zeer zeker bedenken dat niemand van onze liefde mag worden buitengesloten, aangezien "Hij als Zoon van God zich door zijn menswording in zekere zin met iedere mens heeft verenigd".35 Toch wijzen de ondubbelzinnige woorden van het evangelie ons erop dat Christus op speciale wijze in de armen aanwezig is; de liefde van de Kerk moet derhalve allereerst naar hen uitgaan. Deze voorkeursliefde getuigt van de aard van Gods liefde, van zijn voorzienigheid en van zijn barmhartigheid. In zekere zin is de geschiedenis nog vol van de zaden van Gods Koninkrijk die Jezus tijdens zijn leven op aarde uitzaaide, telkens als Hij mensen tegemoet kwam die met hun geestelijke of materiële noden bij Hem kwamen.

50. Er zijn tegenwoordig zoveel noden die van de christenen om een meevoelende reactie vragen. Voor onze wereld begint een nieuw millennium, waarin de economische, culturele en technologische vooruitgang immense mogelijkheden biedt aan een kleine groep bevoorrechten, in schrille tegenstelling met miljoenen anderen die niet alleen maar heel weinig van die vooruitgang profiteren, maar zelfs leven in omstandigheden die ver liggen onder het voor hun menselijke waardigheid vereiste minimum. Hoe is het mogelijk dat zelfs in deze tijd mensen nog sterven van honger? Niet kunnen lezen en schrijven? De meest elementaire gezondheidszorg moeten ontberen? Geen dak boven hun hoofd hebben?

Er kan nog een eindeloos veel breder beeld van de armoede geschetst worden als we niet alleen over de traditionele maar ook over de nieuwe vormen van armoede spreken. Deze nieuwe vormen treft man vaak aan bij mensen en groepen van mensen die financieel in goede doen zijn, maar toch wanhopig dreigen te worden omdat zij de zin van hun leven niet zien, aan drugs verslaafd zijn, bang zijn in de steek te zullen worden gelaten bij ziekte of ouderdom, slachtoffer zijn van marginalisering en maatschappelijke discriminatie. Wanneer christenen dergelijke dingen zien, moeten ze leren hun geloof in Christus zo te belijden dat zij in de noodkreet die uit deze wereld van armoede opstijgt, zijn stem horen opklinken. Dit betekent doorgaan met die traditie van naastenliefde die in de voorbije tweeduizend jaar zich op zovele wijzen gemanifesteerd heeft, maar die in onze tijd ongetwijfeld nog groter vindingrijkheid vraagt. Nu is het tijd om bij het beoefenen van de naastenliefde ‘onontgonnen paden’ te gaan, niet alleen door voor effectieve hulp maar ook voor ‘nabijheid’ en solidariteit met de lijdende mens te zorgen, zodat het toesteken van de helpende hand niet als een vernederende aalmoes wordt ervaren maar als een broederlijk met elkaar delen.

We moeten daartoe ervoor zorgen dat de armen zich in alle christelijke gemeenschappen ‘thuis’ voelen. Zou het niet de meest duidelijke en indringende manier zijn om de Blijde Boodschap van het Koninkrijk aan te bieden, als we zo met hen zouden omgaan? Zonder deze vorm van evangelisatie door naastenliefde en zonder het getuigenis van christelijke armoede dreigt de verkondiging van het evangelie, welke de primaire vorm van naastenliefde is, verkeerd te worden begrepen, of te verdrinken in de oceaan van woorden die door toedoen van de massamedia onze samenleving dagelijks overspoelt. Naastenliefde metterdaad versterkt op niet mis te verstane wijze de naastenliefde met de mond.

Uitdagingen voor deze tijd

51. Kunnen we wel onbewogen blijven bij het vooruitzicht van een ecologische crisis waardoor grote gebieden van onze planeet onbewoonbaar worden en vijandig voor de mens? Of bij de vraagstukken van de vrede die zo vaak bedreigd wordt door het spookbeeld van rampzalige oorlogen? Of bij de minachting voor de fundamentele mensenrechten van zovelen, met name van kinderen? Er zijn zoveel noodsituaties die een christen niet onberoerd mogen laten.

Bepaalde aspecten van de radicale boodschap van het evangelie verdienen speciale aandacht. Ze worden vaak minder goed verstaan, in dier voege dat het optreden van de Kerk erdoor negatief wordt beoordeeld; toch mag dit optreden op haar agenda van naastenliefde niet ontbreken. Ik bedoel de plicht het leven te respecteren, een respect dat verschuldigd is aan iedere mens, vanaf zijn conceptie tot aan zijn natuurlijke dood. Zo ook benadrukken wij, wanneer wij opkomen voor menswaardigheid, te pas en te onpas dat men bij het gebruik maken van de laatste vorderingen van de wetenschap, met name op het gebied van de biotechnologie, nooit voorbij mag gaan aan de fundamentele eisen van de ethiek, of zich daarbij zou mogen beroepen op een aanvechtbare solidariteit, die met voorbijgaan aan de waardigheid die ieder mens toekomt, uiteindelijk ertoe leidt dat men het ene leven belangrijker acht dan het andere.

Wil het christelijk getuigenis, met name op deze netelige en omstreden terreinen, effect sorteren, dan moet men goed het waarom van het christelijk standpunt uiteenzetten, en daarbij benadrukken dat men aan mensen die niet geloven, geen op het geloof berustend inzicht wil opleggen, maar dat men waarden duidt en verdedigt die geworteld zijn in de natuur zelf van de mens. Zo zal naastenliefde vanzelf worden tot dienst aan cultuur, politiek, economie en gezin, zodat overal de fundamentele beginselen worden geëerbiedigd waarvan het lot van de mensen en de toekomst van de beschaving afhankelijk zijn.

52. Vanzelfsprekend moet dit alles op specifiek christelijke wijze gebeuren: bij het vervullen van hun roeping zullen met name de leken op deze terreinen actief moeten zijn, en nooit mogen bezwijken voor de bekoring om van de christelijke gemeenschappen louter ‘sociale diensten’ te maken. Overeenkomstig de sociale leer van de Kerk moeten met name in de betrekkingen van de Kerk met de burgermaatschappij de autonomie en eigen bevoegdheden van laatstgenoemde gerespecteerd worden.

Zoals bekend heeft het kerkelijk leergezag met name in de twintigste eeuw ernaar gestreefd om het maatschappelijk gebeuren te duiden in het licht van het evangelie, en op een geschikte en systematische manier haar bijdrage te leveren aan het sociale vraagstuk dat thans een probleem van wereldomvang is geworden.

De ethische en sociale kant van het vraagstuk vormt een essentieel aspect van het christelijk getuigenis: we moeten iedere bekoring afwijzen van een naar binnen gekeerde en individualistische spiritualiteit die slecht te rijmen valt met de eisen van de naastenliefde, evenmin als met de ‘logica’ der Menswording, en, in laatste instantie, de eschatologische spanning van het christendom. Terwijl deze spanning ons het betrekkelijke van de geschiedenis doet beseffen, betekent dat absoluut niet dat we ons zouden onttrekken aan de plicht om die geschiedenis ‘op te bouwen’. Hier is meer dan ooit actueel wat het Tweede Vaticaans Concilie leert: "... door de christelijke boodschap worden de mensen niet afgehouden van de uitbouw van de wereld, noch gedreven tot verwaarlozing van het welzijn van hun gelijken, maar beschouwen het metterdaad eerder als een dwingender plicht om dit werk te verrichten."36

Een concreet teken

53. Om te tonen hoezeer de plicht van naastenliefde en bevordering van menselijk welzijn diep geworteld is in hetgeen het evangelie vraagt, heb ik besloten dat het Jubileumjaar, naast de vele vruchten van naastenliefde die het reeds heeft voortgebracht – ik doel hier bijzonder op de aan zovelen van onze arme broeders en zusters geboden hulp, waardoor zij aan het Jubileum konden deelnemen – een liefdadigheidsinstelling zou nalaten welke in zekere zin de vrucht en bezegeling zou zijn van de door het grote Jubileum verkondigde naastenliefde. Om de viering van het Jubileum goed te doen verlopen hebben vele pelgrims hun steentje bijgedragen en, met hen, veel vooraanstaande financiers gulle hulp geboden. Als de uitgaven van dit jaar zijn afgewikkeld, zal het geld dat over is, worden besteed aan liefdadige doelen. Het is van belang dat een zo belangrijk religieus gebeuren in geen enkel opzicht de schijn op zich laadt uit te zijn op financieel voordeel. Alle geld dat over is, zal worden gebruikt om wat vanaf het begin van de Kerk zo vaak gebeurd is voort te zetten, toen de niet-christenen konden zien hoe men in de gemeente van Jeruzalem op ontroerende wijze de gaven spontaan met elkaar deelde, zozeer zelfs dat ze omwille van de armen alles gemeenschappelijk bezaten (vgl. Hnd 2,44-45).

De te stichten liefdadigheidsinstelling zal maar een klein stroompje zijn dat uitstroomt in de grote, door de geschiedenis gaande stroom van christelijke naastenliefde. Een kleine maar betekenisvolle beek: het Jubileum heeft de ogen van de wereld op Rome gericht, op de Kerk "die het voorzitterschap bekleedt in de naastenliefde"37 en heeft aan Petrus haar gaven doen toekomen. De naastenliefde die in het centrum van het katholicisme ten toon is gespreid zal nu in zekere zin naar de wereld terugstromen door dit teken dat bedoeld is als een blijvende nalatenschap en herinnering aan de onderlinge verbondenheid die ervaren werd tijdens het Jubileum.

Dialoog en zending

54. Een nieuwe eeuw, een nieuw millen-nium ligt voor ons in het licht van Christus. Maar niet iedereen is in staat dit licht te zien. Aan ons komt de prachtige en veeleisende taak toe om er de ‘weerspiegeling’ van te zijn. Dat is het mysterium lunae, zo dierbaar aan de kerkvaders in hun beschouwend gebed; ze gebruikten dit beeld om aan te geven hoe de Kerk afhankelijk is van Christus. Hij is de Zon waarvan zij het licht weerspiegelt.38 Op die manier werd verwoord wat Christus zelf zei, toen Hij zichzelf het "licht van de wereld" noemde (Joh 8,12), en aan zijn leerlingen vroeg "het licht van de wereld te zijn" (Mt 5,14).

Deze opdracht doet ons huiveren als we kijken naar onze menselijke zwakheid waardoor we zo vaak dof en vol duistere plekken zijn. Maar een opdracht die we kunnen vervullen als we ons wenden naar het licht van Christus en ons openstellen voor de genade die van ons een nieuwe schepping maakt.

55. In samenhang hiermee moeten we ook de grote uitdaging zien van de interreligieuze dialoog waartoe we ook in het nieuwe millennium, getrouw aan de leer van het Tweede Vaticaans Concilie,39 gehouden zijn. Met name door een reeks van ontmoetingen met een sterk symbolisch karakter heeft de Kerk tijdens de jaren van voorbereiding op het grote Jubileum ernaar gestreefd met de leiders van andere godsdiensten een relatie van openheid en dialoog op te bouwen. Deze dialoog moet doorgaan. Waar, naar het zich laat aanzien, de samenleving in het nieuwe millennium gekenmerkt zal worden door een sfeer van groeiend pluralisme op cultureel en godsdienstig gebied, is het duidelijk dat deze dialoog met name belangrijk zal zijn om te komen tot een hechte basis voor vrede en om het duistere spookbeeld te verdrijven van die godsdienstoorlogen waardoor zo vaak de geschiedenis van de mensheid met bloed werd besmeurd. De naam van de ene God moet steeds meer worden wat hij is: een naam van vrede en een vermaning tot vrede.

56. Maar een dialoog kan niet gebaseerd zijn op godsdienstig indifferentisme, en wij christenen zijn gehouden om bij het aangaan van de dialoog duidelijk getuigenis af te leggen van de hoop die in ons leeft (vgl. 1Pe 3,15). We moeten niet bang zijn dat anderen als een persoonlijke belediging datgene zouden opvatten wat veeleer vreugdevolle verkondiging is van een gave die voor alle mensen bedoeld is en, met de grootst mogelijke eerbied voor ieders vrijheid, aan allen moet worden aangeboden: de gave namelijk van God die liefde is, van God die "zoveel van de wereld heeft gehouden dat Hij zijn eniggeboren Zoon heeft geschonken" (Joh 3,16). Zoals de onlangs verschenen verklaring Dominus Iesus benadrukte, kan dit geen onderwerp zijn van onderhandelen in dialoogvorm, alsof het alleen maar om een bepaalde opinie zou gaan: veeleer is het een genade die ons met vreugde vervult en die we verplicht zijn te verkondigen.

De Kerk mag zich daarom niet onttrekken aan missionering onder de volkeren. De missio ad gentes heeft als primaire opdracht te verkondigen dat in Christus, "de weg en de waarheid en het leven" (Joh 14,6), het heil voor de mensen te vinden is. Interreligieuze dialoog "kan niet simpelweg de verkondiging vervangen, maar blijft gericht op de verkondiging".40 Daarnaast belet deze missieplicht ons niet om de dialoog aan te gaan met een grote bereidheid van hart om te luisteren. Wij weten immers dat de Kerk, geconfronteerd met het mysterie van de genade dat zo eindeloos veel aspecten en consequenties heeft voor het leven en de geschiedenis van de mens, zelf steeds vragen zal blijven stellen, vertrouwend op de hulp van de Paracleet, de Geest van de waarheid (vgl. Joh 14,17), wiens taak het is haar "leidsman te zijn naar de volle waarheid" (Joh 16,13).

Dit is niet alleen voor het steeds doorgaande theologisch onderzoek van de christelijke waarheid een fundamenteel beginsel, maar ook voor de christelijke dialoog met andere wijsgerige stelsels, culturen en godsdiensten. Alle tegenstellingen ten spijt doet de Geest van God, die "waait waar hij wil" (Joh 3,8) niet zelden tekenen zien van zijn tegenwoordigheid, waardoor de volgelingen van Christus een dieper inzicht krijgen in de boodschap waarvan zij de dragers zijn. Was het niet met deze bescheiden en vertrouwvolle openheid van geest dat het Tweede Vaticaans Concilie trachtte "de tekenen van de tijd" te verstaan?41 Zelfs wanneer zij actief en zorgvuldig zich inspant om te onderkennen "wat werkelijke tekenen zijn van de aanwezigheid van God of van zijn plannen",42 erkent de Kerk dat zij niet alleen aan anderen heeft geschonken, maar ook "heeft meegekregen uit de geschiedenis en ontwikkeling van de mensheid".43 Deze open houding die met zorgvuldige onderscheiding gepaard ging, heeft het Concilie ook aangenomen met betrekking tot andere godsdiensten. We dienen trouw het onderricht van het Concilie en de weg die het heeft gewezen, te volgen.

In het licht van het Concilie

57. Dierbare broeders en zusters, hoe kostbaar zijn de richtlijnen die het Tweede Vaticaans Concilie ons heeft geboden! Daarom vroeg ik de Kerk als voorbereiding op het grote Jubileum te onderzoeken wat voor effect het Concilie in de praktijk voor haar heeft gehad.44 Is dat gebeurd? Het Congres dat hier in het Vaticaan plaats vond, was zulk een moment van bezinning, en ik hoop dat het ook op soortgelijke wijze is gegaan in alle particuliere Kerken. Ook al gaan de jaren voorbij, toch verliezen de documenten van het Concilie niets van hun betekenis of glans. Men moet ze goed lezen, kennen en in zich opnemen als belangrijke en normgevende teksten van het magisterium binnen de traditie van de Kerk. Nu het Jubileum is afgelopen, voel ik me meer dan ooit gedrongen het Concilie aan te duiden als de grote genade waarmee de Kerk in de twintigste eeuw werd verrijkt: het biedt ons een betrouwbaar kompas voor de weg die we in de nu beginnende eeuw hebben te gaan.

 

Tot slot

Duc in altum!

58. Laten we hoopvol verder gaan! Een nieuw millennium ligt voor de Kerk als een wijde wereldzee waarop wij ons wagen, rekenend op de steun van Christus. De Zoon van God die uit liefde voor de mensheid tweeduizend jaar geleden mens werd, verricht ook heden nog zijn werk; om dat te zien moeten we scherpe ogen hebben en vooral een edelmoedig hart om zelf daarbij zijn werktuigen te worden. Vierden we niet het Jubileumjaar om weer contact op te nemen met deze levende bron van hoop? Nu nodigt Christus die we beschouwden en liefhadden, ons uit om opnieuw op weg te gaan: "Ga, en maak alle volkeren tot leerling; doop hen in de naam van de Vader, de Zoon en de heilige Geest" (Mt 28,19). De missieopdracht leidt ons binnen in het derde millennium en vraagt van ons dezelfde bewogenheid als die van de eerste christenen: we mogen rekenen op de kracht van dezelfde Geest die met Pinksteren werd uitgestort en die ons ertoe drijft een nieuw begin te maken, gesterkt door de hoop "die niet wordt teleurgesteld" (Rom 5,5).

Bij het begin van de nieuwe eeuw moeten we met lichter tred over de wegen der aarde trekken. Talrijk zijn de paden die ieder van ons en ieder van onze Kerken hebben te gaan, maar er is geen afstand tussen hen die nauw met elkaar verbonden zijn in dezelfde communio, de communio die dagelijks gevoed wordt aan de tafel van het eucharistisch Brood en het Woord des levens. Iedere zondag nodigt de verrezen Christus ons uit om Hem als het ware opnieuw te ontmoeten in de Bovenzaal waar Hij "op de avond van die eerste dag van de week" (Joh 20,19) aan zijn leerlingen verscheen om hen te ‘beademen’ met de levengevende Geest en aan het grote avontuur te doen beginnen van de evangelieverkondiging.

Op deze tocht worden we vergezeld door de gezegende Maagd Maria, aan wie ik in tegenwoordigheid van talrijke bisschoppen, uit alle delen van de wereld in Rome bijeen, het derde millennium heb toevertrouwd. In de loop van dit jaar heb ik haar vaak aangeroepen als de ‘Sterre van de nieuwe evangelisatie’. Thans wijs ik opnieuw naar Maria als de stralende dageraad en veilige leidsvrouwe op onze weg. De kinderlijke genegenheid van de gehele Kerk uitsprekend zeg ik tot haar opnieuw met de woorden van Jezus zelf: "Vrouw, daar zijn nu je kinderen" (vgl. Joh 19,26).

59. Dierbare broeders en zusters! Het symbool van de Heilige Deur gaat thans achter ons dicht, maar alleen opdat meer dan ooit de levende deur die Christus is, open moge staan. Na de warme sfeer van het Jubileum keren we niet terug naar de doffe routine van iedere dag. Integendeel, als onze pelgrimstocht waarachtig was, zullen wij als het ware lichtvoetiger de weg kunnen gaan die voor ons ligt. We moeten het elan van de apostel Paulus navolgen: "vergetend wat achter me ligt en me richtend op wat voor me ligt, streef ik naar het doel: de prijs van de hemelse roeping, die God in Christus Jezus tot mij richt" (Fil 3,13-14). Samen moeten wij allen doen als Maria die van haar pelgrimstocht naar de heilige stad Jeruzalem naar Nazaret terugkeerde, terwijl zij in haar hart het mysterie overwoog van haar Zoon (vgl. Lc 2,51).

De verrezen Christus vergezelt ons op onze weg en, zoals aan de Emmaüsgangers, maakt Hij zich aan ons bekend door het "breken van het brood" (Lc 24,35). Moge Hij ons wakker vinden, klaar om zijn gelaat te herkennen en naar onze broeders en zusters te snellen met het blijde bericht: "wij hebben de Heer gezien" (Joh 20,25).

Dat zal de verhoopte vrucht zijn van het Jubileum van het jaar 2000, het Jubileum dat ons weer het mysterie voor ogen heeft gehouden van Jezus van Nazaret, Zoon van God en Verlosser van de mensen.

Nu het Jubileum wordt afgesloten en ons heenwijst naar een hoopvolle toekomst, mogen de lof en dankzegging van de gehele kerk door Christus in de heilige Geest opstijgen naar de Vader.

Met deze wens zend ik u allen van harte mijn zegen.

Vanuit het Vaticaan, 6 januari, feest van de Openbaring des Heren, in het jaar 2001, het drieëntwintigste van mijn pontificaat.

 

Johannes Paulus II

 

 

Vertaling: F. van Voorst tot Voorst s.j.

____________________________________________________________________________

Noten

1. Tweede Vaticaans Concilie, Decreet over het herderlijk ambt van de bisschoppen in de Kerk Christus Dominus, 11.

2. Johannes Paulus II, Bul tot afkondiging van het grote Jubileum van het jaar 2000 Incarnationis mysterium (29 november 1998), 3.

3. A.w., 4.

4. Tweede Vaticaans Concilie, dogmatische Constitutie over de Kerk Lumen gentium, 8.

5. Augustinus, De civitate Dei, XVIII, 51, 2, in: pl 41, 614; vgl. Lumen gentium, 8.

6. Vgl. Johannes Paulus II, apostolische Brief Tertio millennio adveniente (10 november 1994), 55.

7. Vgl. Lumen gentium, 1.

8. "Ignoratio enim Scripturarum ignoratio Christi est", in: Commentarii in Isaiam, Proloog, in: pl 24, 17.

9. Vgl. Tweede Vaticaans Concilie, dogmatische Constitutie over de goddelijke openbaring Dei verbum, 19.

10. "Wij leren eenstemmig, hierin de heilige Kerkvaders volgend, één en dezelfde Zoon, onze Heer Jezus Christus, te belijden, volmaakt in zijn godheid en volmaakt in zijn mensheid, waarlijk God en waarlijk mens ... Een en dezelfde Christus, eniggeboren Zoon, die erkend wordt in twee naturen, zonder vermenging, zonder verandering, zonder deling, zonder scheiding ...; Hij is niet in twee personen gedeeld of gescheiden, maar Hij is een en dezelfde eniggeboren Zoon, God, Woord, onze Heer Jezus Christus", in: ds 301-302.

11. Tweede Vaticaans Concilie, pastorale Constitutie over de Kerk in de wereld van deze tijd Gaudium et spes, 22.

12. Athanasius merkt hierover op: "Met het geschapene verbonden zou de mens niet vergoddelijkt hebben kunnen worden, als de Zoon niet waarlijk God zou zijn", in: Oratio II contra Arianos, 70, in: pg 26, 425 B.

13. Dialoog van de goddelijke Voorzienigheid, 78.

14. Laatste gesprekken. Geel boekje (6 juli 1897), in: Oeuvres complètes (Parijs, 1996), 1025.

15. Cyprianus, De Oratione Dominica, 23, in: pl 4, 553; vgl. Lumen gentium, 4.

16. Lumen gen-tium, 40.

17. Vgl. Tweede Vaticaans Concilie, constitutie over de heilige liturgie Sacrosanctum Concilium, 10.

18. Vgl. Congregatie voor de Geloofsleer, Enige aspecten van de christelijke meditatie. Brief aan de bisschoppen van de R.-K. Kerk (Orationis formas) (15 oktober 1989).

19. Sacrosanctum Concilium, 10.

20. Vgl. Johannes Paulus II, apostolische Brief over de heiliging van de zondag Dies Domini (31 mei 1998), 19.

21. A.w., 2.

22. Vgl. a.w., 35.

23. Vgl. Johannes Paulus II, postsynodale apostolische Exhortatie Reconciliatio et paenitentia (2 december 1984), 18.

24. A.w., 31.

25. Tertullianus, Apologeticum, 50, 13, in: pl 1, 534.

26. Lumen gentium, 1.

27. Manuscript B, 3vo, in: Opere Complete (Città del Vaticano 1997), 223.

28. Vgl. Lumen gentium, III.

29. Vgl. Congregatie voor de Clerus, Pauselijke Raad voor de Leken e.a., Instructie over enige vragen betreffende de medewerking van lekengelovigen aan het dienstwerk van de priesters (15 augustus 1997), met name artikel 5: De samenwerkingsorganen in de particuliere Kerk.

30. Regula, III, 3: "Ideo autem omnes ad consilium vocari diximus, quia saepe iuniori Dominus revelat quod melius est."

31. "De omnium fidelium ore pendeamus, quia in omnem fidelem Spiritus Dei spirat", in: Epistola 23, 36 aan Sulpicius Severus, in: csel 29, 193.

32. Lumen gen-tium, 31.

33. Tweede Vaticaans Concilie, Decreet over het lekenapostolaat Apostolicam actuositatem, 2.

34. Vgl. Lumen gentium, 8.

35. Gaudium et spes, 22.

36. Gaudium et spes, 34.

37. Vgl. Ignatius van Antiochië, Epistula ad Romanos, Voorwoord, ed. Funk, I, 252.

38. Zo bijvoorbeeld Augustinus: "Luna intelligitur Ecclesia, quod suum lumen non habeat, sed ab Unigenito Dei Filio, qui multis locis in Sanctis Scripturis allegorice sol appellatus est", in: Enarrationes in Psalmos, 10, 3, in: ccl 38, 42.

39. Vgl. Tweede Vaticaans Concilie, Verklaring over de houding van de Kerk ten opzichte van de niet-christelijke godsdiensten Nostra aetate.

40. Pauselijke Raad voor de Interreligieuze Dialoog en Congregatie voor de Evangelisatie der Volkeren, Dialoog en verkondiging (19 mei 1991), 82.

41. Vgl. Gaudium et spes, 4.

42. A.w., 11.

43. A.w., 44.

44. Vgl. Tertio millennio adveniente, 36.

[Deze vertaling verscheen 11 mei 2001 in Kerkelijke Documentatie, SRKK, Utrecht, bestel@rkk.nl ]